BFF

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

In vriendschap is er geen moment dat je elkaar het ‘ja woord’ geeft. Je draagt geen ring met datum en je deelt geen bankrekening. Vriendschap is een zwembad dat steeds voller loopt maar nooit overstroomt. Je weet alleen niet met hoeveel mensen je in het zwemwater ligt.

Toen ik op de lagere school zat, had ik een ‘beste vriendinnetje’. Wij noemden elkaar zo. Wij aten halve koekjes, kenden een zoetwaterkreeft in de sloot, hadden een begraafplaats voor onze teennagels en wij wisten allebei dat de stoep 2024 tegels telde. Onze vriendschap was ondeelbaar tot er op een dag een grote vrachtwagen onderaan de flat stond en twee wildvreemde mannen de planken van mijn boekenkast en mijn grote hondenknuffel Boebes de laadruimte binnendroegen. We stonden hand in hand en tuurden over de balustraden. Zachtjes prevelden we dat we voor altijd beste vriendinnen zouden blijven. We zagen elkaar niet meer.

De tijd van ‘beste vriendinnetje’ is voorbij. Op Facebook heb ik wel 500 vrienden en in het echt vijf. Stel dat je met je beste vrienden naar Costa Rica op vakantie gaat. En stel dat ze heel stoer zijn en willen raften op de Naranjo rivier. Jij hebt hier helemaal geen zin in (in mijn geval je durft dit absoluut niet) en je stelt voor om spectaculaire foto’s van hen te maken vanaf een overhangend rotsblok halverwege hun tocht. Vanaf de steen heb je een prachtig uitzicht over het kolkende water en stroomopwaarts zie je het rubberbootje al aan komen varen. Een van hen ziet jou ook en steekt een hand op en zwaait. Juist op dat moment slaat de boot tegen een rots. Tot je schrik drijft het rubberen vlot omgekeerd verder en je vrienden in hun oranje reddingsvesten worden meegesleurd door het stromende water. Je rent naar de auto en pakt een touw met reddingsboei uit de achterbak. Vlakbij zijn ze al. Met de reddingsboei zal je er maar een kunnen redden. Wie redt je? En als je het antwoord weet zou je het dan hardop durven zeggen.

Sommige vriendschappen vinden snel hun volmaakte vorm. ‘De vriendschap heeft geen ander ideaalbeeld dan zichzelf’ (Montaigne, 1588). Bij een dergelijke vriendschap heeft een dialoog een stuwende kracht in zich. De opwinding die je daarbij voelt is eenmalig, je springt samen op een paard en draaft dan in een draaiende beweging omhoog tot de tijd van het samenzijn voorbij is en je het paard achterlaat. In een volgende ontmoeting stijg je samen weer op en draaf verder, de oneindige spiraal omhoog volgend. Jaloezie is er niet omdat je ook niet jaloers kan zijn op jezelf. Het vooruitzicht elkaar weer te zien maakt dat je sommige verhalen of onderwerpen bewaart en onaangeroerd laat. Dit doe je om ze in hun ruwe, zuiverste vorm te laten zien aan de ander om ze vervolgens samen te polijsten.

De dichter Menander noemde ‘hem gelukkig die ook maar de schaduw van een vriend had ontmoet’. Dit verlangen naar vriendschap krijgt op sociale media vorm in overdaad. Facebook is een barstensvol recreatiebad zonder badmeester. Over de witte bodem kruipt soms een zoetwaterkreeft. Wie hem ziet heeft geluk.

 

© Joke van Vliet

Bronnen: Montaigne, M. d. (1588). De essays. Amsterdam: Athenaeum – Polak & van Gennep.

 

Pleur op!

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

De lucht was doortrokken van vocht waardoor de weilanden rondom onze boerderij glazig oogde. Vandaag zou ik de vissenkom kapot tikken waarin ik rondzwom. Ik wuifde de kinderen na die op hun fietsen een spoor trokken door het zand, bevrijdde de kippen uit hun nachthok,  prikte wat stro op de hooivork voor de geiten en at zelf twee broodjes. Daarna nam ik de jerrycan gevuld met benzine mee naar buiten en klom op de tractor.

De zitting was hoger dan ik verwachtte. Gelukkig stak de sleutel nog in het contact. Ik draaide deze rond op eenzelfde manier zoals ik de auto startte en het werkte. De wagen trilde. Ik schakelde met het pookje in de eerste versnelling en duwde het gaspedaal in. Iets te stevig waardoor ik naar voren schoot maar al snel lichtte ik mijn voet iets op en reed in een mooi tempo over het zandpad. Het voertuig schudde dusdanig dat ik voorzag dat ik nog behoorlijk last van mijn zitvlees zou krijgen. Ik schakelde door, moeilijk was het niet.

Ik jakkerde naar de oprit van de snelweg. Hele stukken tikte ik de 110 aan. Bij Amersfoort leegde ik de jerrycan in de benzinetank. Vlak daarna begon het hevig te regenen. De ruitenwissers klapte heen en weer maar het water droop over de voorruit waardoor ik toch bijna geen zicht had. Alleen de witte strepen op het wegdek boden houvast. Verschillende malen toeterden vrachtwagens naar me of ze seinden met hun koplampen maar ik reed gewoon door tot ik rond vier uur Den Haag bereikte. De lucht was geklaard en toen ik Madurodam passeerde scheen zelfs een zonnetje.

Ik volgde de verkeersborden richting Centrum. Mensen stonden stil om naar me te kijken. In Den Haag zie je niet vaak een landbouwwagen. Soms stuurde ik rakelings langs een geparkeerde auto maar steeds ging het net goed. Via de Mauritspoort draaide ik het Binnenhof op. Tot mijn grote geluk vertrok er juist een ministerwagen waardoor de paaltjes die de toegang blokkeerden wegzonken in het wegdek en ik er vol gas, eerder dan de verbouwereerde chauffeur, overheen reed. Onmiddellijk spreidde ik de bomen van de veldspuit en activeerde de verstuivers. Stevige windvlagen stuwden de Glyfosaat over het plein in de gezichten van de toegesnelde agenten. Ik stuurde de wagen in lange banen over het Binnenhof, precies zoals ze rond mijn huis met de tractor doen. Vanuit mijn ooghoek zag ik ineens onze minister-president uit zijn torentje komen. De slippen van zijn colbertjasje wapperden vrolijk op door de wind. Het gif waaide in zijn gezicht.

‘Het geeft niet,’ riep ik hem toe, ‘Het is toegestaan, het is maar Roundup.’

‘Doe eens normaal, man!’ riep hij terug. Hij spoorde de agenten aan om in te grijpen. Snel nevelde ik nog het restant over het plein en reed vol gas de poort uit.

‘Pleur op,’ hoorde ik nog achter me.

Op de terugweg tikte ik de 120 aan en pas om elf uur was ik weer thuis.

De bekende schrijver

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Afgelopen zaterdag reisde ik met een vroege trein naar Amsterdam. In een mapje zaten de eerste vier bladzijden van mijn roman. Ik had er speciaal een nieuwe tas voor gekocht. Een bekende schrijver zou er naar kijken.

Om de zenuwen te verdrijven las ik deel twee van de Napolitaanse romans (de nieuwe achternaam), geschreven door Elena Ferrante. Al snel vergat ik mijn omgeving en transformeerde tot een personage. Ik wandelde door de straten van Napels, voelde de zon branden in mijn nek, kocht een Focaccia bij de kruidenierswinkel en na wat getreuzel haastte ik mij naar het appartement van Lila. Lila was net getrouwd. Haar man sloeg haar en verbood haar te lezen. Hij eiste dat ze het avondeten kookte en dat ze zijn kleding netjes vouwde. Ik liep steeds sneller tot ik bij de voordeur kwam die op een kier stond. In de keuken trof ik hen samen aan. Zonder aarzelen griste ik een mes uit de keukenla en stak een paar keer wild in de richting van de echtgenoot. Deze schoot overeind. Zijn lip trilde, hij zweette en hij schreeuwde dat hij me zou vermoorden. Hij spuugde naar me en probeerde het mes uit mijn handen te slaan. Op goed geluk dook ik naar voren en stak het lemmet in zijn buikvet. Met grote ogen keek hij me aan terwijl ik probeerde het mes weer uit zijn lijf te wrikken, wat niet lukte. Ik liet los en stapte achteruit. Bloed gutste door het witte katoen van zijn hemd. Hij legde zijn handen rond het heft maar vond niet de kracht om het er zelf uit te trekken. Ik zei tegen Lila dat ze haar schriften met aantekeningen moest inpakken. Haar notities leken mij belangrijker dan de juwelen die hij haar had geschonken. Ik wist dat Lila er ook zo over dacht. Haar echtgenoot zakte ineen. Hij staarde naar Lila die op haar gemak haar jas dicht knoopte. Hier aarzelde ik. Zal ik hem laten sterven of zal ik er snel met Lila vandoor gaan zodat hij later in de roman nog weer levend op kan duiken? Op dat moment klonk een vrouwenstem. ‘We naderen station Amsterdam,’ zei ze. Ik keek om me heen. Het was erg druk geworden. Ik haastte mij naar de uitgang van het station.

Zoals Caspar David Friedrich zich nietig voelde ten opzichte van de machtige natuur ervoer ik een zelfde nietigheid ten opzichte van de grootsheid van de menselijke aanwezigheid. Overal om mij heen lagen tegels, stonden palen, gebouwen, bruggen en boven mij dook een vliegtuig onder luid gebrom uit het wolkendek. Wanhopig zocht ik naar een boom of een vogel of zelfs maar een grasje dat zich tussen tegels uit wurmde maar ik vond niets vertrouwds. Wel botste er een lange slungelige jongen, gekleed in een hoodie met onder zijn muts ook nog een pet, tegen mij op en liep door zonder zich om te draaien of sorry te zeggen. Ik besloot rechtsaf te slaan. Het leek mij het minst drukke gedeelte van de stad en nog aardig in de goede richting. Ik passeerde etalages met waterpijpen en delfsblauwe dildo’s of misschien zag ik die voor me zonder dat ze er lagen want echt kijken durfde ik niet. De grote stad was na twintig jaar platteland verder van me af komen te liggen dan de 118,7 kilometer die het daadwerkelijk was.

De schrijver woonde aan de Herengracht. Hij schudde mij de hand. Geen stevige boerenhand zoals ik dat inmiddels gewend was, maar een weke, broze hand met in zich enkel de kracht voor het sturen van een pen over een vel papier. In een paar woorden vatte hij het eerste hoofdstuk samen waardoor ik me plots afvroeg waarom ik zoveel woorden geschreven had. Verder wees hij me erop dat mijn tweede personage zo stilletjes was.

Tijdens de terugreis liet ik het boek van Elena Ferrante in de tas. Ik wilde het niet nog verder verprutsen door een personage af te slachten met een keukenmes. Een hoofdpersoon moet je niet redden maar tot leven wekken door anderen te laten spreken.

 

 

Een naam voor beer

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Zestien jaar geleden bezochten we voor het eerst dierenpark Amersfoort. We keken naar de kinderen, die keken naar de dieren.  We keken hoe het was om iets voor het eerst te zien. We dachten terug aan hoe het was om iets voor het eerst te zien.

Hier en daar lazen we een bordje over de herkomst en leefwijze van het dier. Af en toe zei iemand, ‘goh dat wist ik niet’.  Het uitje werd een traditie. Logischerwijze waren het elk jaar min of meer dezelfde dieren in de kooien maar dat besefte ik niet werkelijk. De bruine beer was een bruine beer en werd nooit die van vorig jaar of het jaar daarvoor. Mijn onachtzaamheid veranderde tijdens het bezoek van vorige week.

Direct na de ingang verblijft (niet woont, dat zeg je niet over dieren in een dierentuin) de bruine beer. Anders dan eerdere bezoekjes ontvingen we dit keer bij de ingang geen papieren plattegrond zoals eerdere jaren, maar werd ons geadviseerd om een app te downloaden. Het leek ons niet leuk om rond te lopen met een smartphone dus zoekend, onthand, besluiteloos zochten we onze weg en ontdekten een bordje met de tekst:  mis niks. Een mis-niks-route leek ons wel wat aangezien we voorgaande jaren vaak het gevoel hadden dat we de mis-van-alles-route liepen.

De bruine beer  zat in een niet al te groot hok waarin een omgeving was nagebootst vol rotspartijen en watervalletjes. Bezoekers en beer werden van elkaar gescheiden door een brede sloot en aan de zijkant een dikke glasplaat. Het was een rustige dag en ik stond alleen achter de glazen wand, zo’n vijf meter vanaf de grote bruine knuffel. Ondanks onze nabijheid en mijn belangstelling voor haar, keek ze niet naar mij. Het was of ik niet bestond. Beer schuurde met haar rug tegen de kunstmatige rotswand en knabbelde aan een twijgje. Haar grote klauw sloeg het takje weg om het daarna zelf tegen te houden met haar tanden. Ik fotografeerde haar. Nog steeds zonder naar me te kijken liet ze zich voorover vallen, schommelde weg, haalde een nieuw takje en kwam direct weer terug. Weer ging ze op haar achterpoten zitten maar nu los van de wand.  Zo zag ze eruit als een circusdier zonder circus. Schattig vond ik, maar ook zielig en wat zou het gevaarlijk zijn wanneer ik in het wild zo dichtbij haar zou staan. Mogelijk stapte ik iets achteruit. Beer draaide haar hoofd naar me en we keken elkaar kort aan. Ze had verrassend kleine, bruine oogjes en ineens schaamde ik me voor de foto die ik van haar maakte. Om van het vervelende gevoel af te komen wilde ik haar een naam geven, maar ik kwam alleen op namen als Teddy en Bram en dat is niks voor een machtig dier als deze bruine beer, dankzij een glaswand gereduceerd tot ‘schattig’. We zien niet werkelijk haar maar een lichaam van haar. Een dierentuin is als een wassenbeeldenmuseum. De glaswand scheidt niet de beer, maar ons van de wereld.

 

Kunstkikkerdril

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Sinds gisteren ben ik wonderbaarlijk genezen. Ik heb mijn verlossing te danken aan een schrikbeeld.

Ik trof een vrouw aan in mijn atelier. Ze droeg een zwart rokje rond haar volle heupen en erboven een kort, getailleerd viltvestje.

‘Ik heb wat vragen voor jou,’ zei ze, terwijl ze haar notitieblokje opensloeg.

Voor jij wilt aankleven aan ons kunstkikkerdril moet ik eerst weten of je wel voldoet. Ik staarde naar mijn voeten. Had ik nou wel schoenen aan? En waar was mijn broek eigenlijk gebleven? Hoe kon ik deze vrouw, die waarschijnlijk een belangrijk lid was, nu ontvangen met twee harige onderbenen en blote voeten. Verder omhoog kijken durfde ik niet. Snel veegde ik wat losse tekenvellen van tafel en wees haar op mijn chocolaatjes en ruitjeskoeken, maar ze weigerde.

‘Dit heb ik al zo vaak gezien,’ sprak ze.

Het was warm in de kamer terwijl het vannacht nog gevroren had. Ik schoof het raam wat verder open. Een opgezet uiltje viel naar beneden. Ik keek hem na, hoe hij landde tussen de rozenstruiken. Ben ik al een dode uil?

Ik draaide mij om, terug in het tafereel, maar de kamer was veranderd. Ik bevond mij zowel in als buiten de ruimte. Het atelier was niet langer in symbiose met mijn schedelinterieur, maar gewoon een kamer met vier muren volgestouwd met objecten, een rariteitenkabinet en ik was de dompteur die alle spullen tot zwijgen bracht. Vroeg iemand ooit aan de tijgermossel of hij wel een schelp was?

Nog een koffie wilde ze niet. Ze was al te lang weg van haar klont. Dit oosten lag toch wel erg uit de route.

Mijn perfecte vriendin

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Mijn vriendin en ik hebben een ideale vriendschap. Wij kunnen zwijgen zonder bang te zijn. We verschillen ook.

Ze vindt het bijvoorbeeld erg leuk om een klapwiekende meerkoet achterna te zwemmen. Daar heb ik zelf niks mee. Ze klauwt dan door het water terwijl haar smalle hoofdje steeds dieper wegzakt in het wateroppervlak. Na een paar minuten lijkt ze zich af te vragen hoe ze in dat ijskoude kanaalwater terecht is gekomen. Vanuit dit nieuwe besef koerst ze dan naar de kant, rent in afgeslankte vorm tot vlak naast mij en schudt haar vacht los en droog. Zelfs op een dergelijk moment zwijgen we omdat ik wil dat ze weet dat ze altijd welkom is, zelfs in doorweekte toestand.

Ook haar liefde voor ondergrondse muizennesten deel ik niet. Wanneer ze de beestjes ruikt graaft ze in korte tijd een miniatuurversie Ardennen in een verder kaarsrecht weiland. Haar neus drukt ze voortdurend in zwarte opengewerkte aarde, niet zelden een dikke laag uitgereden mest. Ze vindt de muizen nooit maar is gelukkig. Wanneer ik met de grondwoeler ingeklonken aarde los werk in mijn moestuin overvalt me een vergelijkbaar genot.

Elke zondag passeert er een herdershond. Hij sleurt zijn baas achter zich aan. Wanneer mijn vriendin het beest ruikt, rijzen haar rugharen recht overeind en krabt ze met haar nagels woest over de pas aangebrachte verflaag op de buitendeur. Ik doe het niet maar bij sommige mensen heb ik een vergelijkbare aandrang.

Mijn vriendin vouwt zichzelf in elkaar om te slapen, liefst op haar gelooide schapenhuid. Wanneer ze haar pootjes strekt, wippen haar nageltjes iets op en soms trillen haar neusvleugels en maakt ze hoge piepende droomgeluidjes. Ik voel dan van die dingen als; ik zal voor altijd van je houden en ik zal je altijd beschermen. Zonder er ooit met haar over gesproken te hebben weet ik dat het wederzijds is. Vind zoiets maar eens in vriendschap.

_JVV1107

 

Een mening is een schutting

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Voorjaar en hoop. Ik zou die twee woorden nooit samen in een zin plaatsen omdat ze te veel bij elkaar horen. Ook zou ik een tekst die begint met deze woorden nooit verder lezen.

Er zijn veel dingen die ik niet doe.

Mensen vinden het grappig om dingen groter te maken of juist kleiner. Zo houden ze van extravagante orchideeën en SUV’s en ook van Shih Tzu hondjes en Falabella minipaardjes. Zelf willen mensen niet klein zijn. Hele volksstammen tantes en oma’s roemen kinderen om hun groei. Het zal wel iets met overlevingsdrift te maken hebben.

Een gesprek is soms een gevecht. Er bungelt een sabel achter de rug van je tegenstander. Ineens kan hij naar je uithalen terwijl jij net je mes hebt weggelegd. Dan strompel je na het gesprek weg met een steekwond in de buurt van je hart. Je hoopt nog dat het niet zo bedoeld was maar je weet wel beter.

Als mensen een tatoeage hebben kan ik mijn ogen er niet vanaf houden. Afgelopen zomer kampeerden we naast een echtpaar. De man droeg korte broeken en mouwloze shirtjes. Verder ging hij vaak naar het wc-blok. Zijn huid leek een kleurplaat waar een hoop mensen tegelijk aan bezig waren. Hij maakte graag een praatje, bij elke tent stopte hij wel even. Hij vertelde dan over zijn honden die niet mee waren op vakantie. Uiteindelijk gingen ze drie dagen eerder naar huis dan ze oorspronkelijk van plan waren.

Er zijn veel dingen die ik niet doe. Meestal weet ik eigenlijk niet eens waarom. Vaak heb ik er een mening over. Een mening is een schutting. Daar ga je niet zomaar overheen.

 

 

Glasvezel voor Montaigne

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Ik ben een nutteloos mens. Daar kwam ik pas vanochtend achter toen ik het woord nuttig opzocht in de van Dale. Nuttig betekent bruikbaar of voordelig en ik ben geen van beiden.

Wanneer ik naar buiten kijk over de landbouwgronden van de omringende boerderijen valt mijn oog op een autootje dat verderop staat met de achterklep omhoog. Twee mannen in oranje gekleurde hesjes scheppen in de aarde. Ik zag ze de laatste tijd al vaker opduiken. Soms verscholen in een witte iglo van zeil en hout en soms in een klein kraantje dat met een smalle schep een geul groef. Vorige maand naderden ze met een dergelijk machientje tot vlakbij ons huis. Een minikanaal ontstond langs het prikkeldraad van de aangrenzende wei en eind van de dag schoot er naast de voordeur ineens een kabel uit de grond. Vanmorgen belde het tweetal aan met een boormachine in handen zoals je ook een AK-47 vasthoudt. Ze boorden een gat door de buitenmuur naar binnen tot in de meterkast. Door het gat trokken ze de felgroene kabel. Als een meanderende rivier slingerde de draad omhoog tot hij verdween in een wit kastje. Wij hebben meer van dat soort witte kastjes in huis waarvan ik geen flauw idee heb waar ze toe dienen en wat ze kunnen. Mij is verteld dat ze ervoor gaan zorgen dat mijn internet in de toekomst supersnel zal zijn. Veel mensen vinden dat fijn en bruikbaar en voordelig. De twee mannen die glasvezel in onze buurt aanleggen zijn dus nuttig.

Nadenkend over nut neem ik het boek van Michel de Montaigne ter hand en sla het open op een willekeurige pagina. De titel van de bladzijde is: loze spitsvondigheden (Ik snap het als je dit niet gelooft maar het is echt waar). Op deze bladzijde vind ik een passage over een man die een gierstkorrel zo behendig had leren werpen dat hij steeds zonder mankeren door het oog van een naald vloog. Naar aanleiding van dit voorbeeld schrijft Montaigne: ‘Een uitstekend bewijs van de zwakte van ons verstand is dat het de dingen aanprijst op grond van hun zeldzaamheid of nieuwigheid of zelfs vanwege hun moeilijkheid ook al zijn ze nergens goed of nuttig voor’. Dat klinkt als een pleidooi voor nuttig zijn. Toch waarschuwt hij zijn lezers in de inleiding van zijn essays dat hij met het schrijven slechts privé doeleinden nastreeft. ‘Als het hem te doen was geweest om bijval te krijgen van de wereld had hij zich wel mooier en meer bestudeerd voorgedaan’.

Ik vraag me af wat Montaigne zou vinden van de komst van glasvezel. Zijn eerste upload zou dan zijn geweest in 1580, zijn tweede upload met veel nieuwe opmerkingen en waarnemingen in 1588 en zijn laatste versie in 1592. Ik kan me voorstellen dat Montaigne na twaalf jaar intensief schrijven en diep nadenken teleurgesteld zou zijn als zijn bestand binnen drie seconden is geüpload. Traag internet toont tenminste nog wat respect voor grote bestanden. Daarnaast zou er een risico bestaan dat zijn persoonlijke geschriften inmiddels zouden zijn verdwenen in het zwarte gat van internet, de begraafplaats van tekst en beeld. Glasvezel zou een belediging zijn voor de geschriften van Montaigne.

 

God en Greta

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Toen God op 29 september 2000 door een gat van bijna 29,9 miljoen vierkante kilometer in de ozonlaag keek, realiseerde hij zich dat zijn experiment was mislukt. Hij had achteraf spijt dat hij slechts zes dagen voor zijn proefneming had uitgetrokken en zijn advies  ‘Wees vruchtbaar en word talrijk’ vond hij achteraf pathetisch. Liefst zou hij het hele aardbolletje afspoelen met schoon water maar dat was nergens te vinden.

In 2003 keek hij nogmaals door het gat. Misschien had hij achteraf toch beter alleen Eva kunnen maken. Ook had hij niet na elke schepping moeten roepen dat ‘het goed was’. Dat kon hij per slot van rekening toen nog helemaal niet inschatten.

Zijn oog viel op een meisje dat over een zandpad slenterde. Om haar beter te kunnen zien duwde hij het wolkendek aan de kant en blies met een zwakke oostenwind haar haren opzij. Ze bukte zich en raapte een kever op die op zijn rug in het zand lag. Het grote insect klauwde zes pootjes in de lucht en klapperde met zijn kaken. Het meisje raapte een stokje op en hield het behulpzaam tussen zijn pootjes. De kever haakte zich vast aan het stokje en kroop naar de top, klapte zijn voorvleugels omhoog en vloog weg. Het meisje keek hem na. God zuchtte en reikte nog een maal zijn hand uit naar de aarde. Hij nam een rib uit het lijf van een hert. ‘Dit wordt jullie laatste kans’, fluisterde hij en vormde uit het rib een meisje. Hij noemde haar Greta Thunberg.