Geheim

Ik ben zo blij

Ik kan alleen niet zeggen

wat het is. Niet fluisteren,

niet mompelen.

 

Zou ik het delen

dan zou het kenteren,

uiteenvallen, verbrokkelen,

kapseizen.

 

Juist door niets te zeggen

gloeit het, vol van mogelijkheden

als een hemelruim, kosmos,

onmetelijk.

 

Ik heb geen idee tot hoever het reikt

Graag zou ik erover dichten, losse flodders,

staartsterren, een notitie op een

snippertje papier.

 

Oh, een knop waaruit tere blaadjes

naar buiten puilen.

Nee, beter beteugelen, zwijgen,

bakeren.

 

 

Wat nooit meer blijft

Je lacht, je proost, je drinkt een glaasje Cava,

eet een oliebol, smeert je vette handen aan een doekje

Achteloos spoel je de poedersuiker van het bord

 

In de ochtend verzamel je geblakerde staafjes rond het huis,

ze ruiken nog naar kruit, je voelt het koudvuur nog prikken op je huid

 

Je schudt de kaarten, je wint en verliest,

je plakt het briefje met de eindstand op de deur,

en dan is er alweer de rit naar huis,

de vinger van vader die naar elke buizerd wijst

 

Het lijkt allemaal voor altijd

En ondanks,

haar kleine hoofd vanachter een raam

en kusje van vader in de telefoon

 

Hoe ik Esther Gerritsen bijna een snor gaf

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Esther Gerritsen was te gast bij Deventer Literair en ik zat op de eerste rij. Ze arriveerde iets te laat waardoor ze na binnenkomst direct moest plaatsnemen achter een tafel op een podium. Zo’n zestig grijze hoofdjes staarde haar verwachtingsvol aan terwijl ze haar lederen tas los knipte, een microfoontje tussen haar haren schoof en haar boeken positioneerde op het tafelblad. De barman bracht een karaf water en een flesje Heineken met een glas. Ze biechtte ons op dat haar navigatie Deventer wel vond, maar dat ze zelf in het dorp verkeerd was gelopen. Ik hield mijn adem in. Alleen mijn buurman siste het woord ‘Hanzesteden’ in haar richting, maar hij keek er mild bij als een geduldige schoolmeester.

Esther Gerritsen bleek een meester in het luchtschrijven. Ik heb dit eerder gezien bij Kristien Hemmerechts en Arthur Japin. Schrijvers die zo vertrouwd zijn met het vertalen van hun gedachten tot goed lopende zinnen dat ze, al sprekend, zichzelf redigeren. Met de ogen gericht op een denkbeeldige hemel schrapte Esther overtollige bijvoeglijke naamwoorden, formuleerde ze overwegingen in dialoogvorm en vond ze passende beeldspraken voor haar morele dilemma’s. Zo fantaseerde Esther in keurige scenes over een hork van een ober die ze na afloop van haar diner zou belonen met een flinke fooi. Ze beschreef zijn verbazing en sloot af met een innerlijke monoloog vanuit het perspectief van de ober: Ik dacht dat de mensen het slecht met mij voor hadden maar kijk, ik krijg een grote fooi dus misschien zijn de andere mensen toch lief dus laat ik ze eens wat vriendelijker tegemoet treden.

‘Het belonen van daders is waarschijnlijk geen populair standpunt,’ zei ze.

Daarna viel ze even stil. Waarschijnlijk dacht ze na over onrecht dat vaak voortvloeit uit onwetendheid. Het biertje stond nog altijd onaangeroerd op tafel. Ik bestudeerde haar zoals dat ongegeneerd kan als toeschouwer. Haar ogen waren opvallend klein. Dit leek me passend bij haar vermogen om selectief te kunnen kijken. Haar handen lagen op haar schoot. Haar vingers trilde. Ze droeg kleine zwarte lakschoentjes. In combinatie met haar robuuste voorkomen en haar sobere kledingstijl ontroerde het me. In haar schoenen toonde ze haar eigen ‘dierentuin vol begeerten’ zoals in het motto van haar boek ‘de trooster’ staat. Een citaat van C.S. Lewis.

‘Ik durf mijn biertje niet in te schenken, zegt ze, en ze tilt haar handen boven het tafelblad.

‘Mijn handen trillen. Ik ben bang dat ik zal morsen. Ik had het als kind al.’

Mensen oordelen mild over eigenschappen die je als kind al had. Zonder af te wachten wat de organisatie zou zeggen, stoof ik op om het biertje voor haar in te schenken. Ik moet alleen het glas schuin houden om een mooie schuimkraag te vormen, bedacht ik, maar een lang moment stond ik bewegingsloos met mijn rug naar de zaal. Ik hoorde het zuchten, het schudden, ik hoorde mondhoeken naar beneden zakken. Schaamte overvalt je zoals een muis die je aantreft in een broodzak. Wat nou als je een hork bent zonder het te beseffen? Dan krijg je de fooi en denk je dat je goed bezig bent.

Het lukte mij het flesje te kantelen, het glas vol te laten stromen met de okerkleurige vloeistof. De schuimkraag groeide aan tot driekwart van het glas. Ik wachtte even in de hoop dat het zou slinken maar het vormde zich tot een zachte bolling, een toef. Ik zette het glas voor haar neer. Ze bedankte mij, maar nam geen slok. Ze las de eerste bladzijden uit haar boek de trooster voor. Ik hoorde niet alle woorden. Alleen iets over een hoofdpersoon met een monsterlijke en een welgevormde gezichtshelft. Ik herkende mij onmiddellijk in de beschrijving. Als puber fietste ik altijd links van mijn vriendinnen. Ik vermeed het dat mensen mijn lelijke helft zagen. Ik schaamde mij ervoor.

Dat er daadwerkelijk verschil is tussen beide gezichtshelften ontdekte ik laatst in het Coda museum in Apeldoorn bij de tentoonstelling de ‘Naked eye project’. Nathan Mooij fotografeerde uiteenlopende personen en spiegelde de linkerogen en de rechterogen. Zo ontstonden twee verschillende portretten van één persoon: één met twee linkerogen en één met twee rechterogen. Soms waren de verschillen zo groot dat het de gezichten leken van twee verschillende mensen.

Het schuim op het bier was ingezakt. Aan de binnenzijde van het glas kleefden nog wat vlokken.  Als ze een slok nam zou er mogelijk een snorretje van schuim achterblijven op haar bovenlip. Het was doodstil in de zaal. Ze nam een perfect slokje. Haar boek signeerde ze met  troost voor Joke.

Een holbewoner van Dante

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Via marktplaats kocht ik een reproductiestatief. Ik reisde naar Groningen om het ding op te halen. Het adres van de verkoper bestond niet volgens mijn navigatie. Wel vond ik de straatnaam op Google-maps. Toen ik vlakbij was viel mijn telefoon uit en reed ik verder op gevoel. Ik vond het huis achter een dijk. De verkoper stond al klaar op zijn buitenterras. Naast hem kroop een zwarte kat met een witte buik over de nog vochtige tuintegels. De man stond erbij alsof hij iets verloren had maar nog niet de reikwijdte van het verlies kon overzien. We daalden trappen af naar een kelder. Daar stond het statief. Het was oud en stoffig, hij had er geen lapje over gehaald. Een hoekje van de grondplaat was kapot. Hij drukte de bijbehorende lamp armatuur in mijn handen en schakelde de verlichting aan. Een fel licht verblindde mij en ik wankelde.

‘Zoals je ziet werkt het naar behoren,’ zei hij.

Haastig ging hij me voor, de trappen weer op, naar mijn auto om het ding in te laden. Pas nadat ik de achterklep dichtsloeg werd hij rustiger. In de keuken drukte hij de waterkoker aan om thee te maken. Hij vulde twee glazen. We deden samen met een zakje.

‘Ik ben net gescheiden,’ zei hij, ‘we verkopen het huis.’

‘Jee, dat is niet niks,’ zei ik.

Op tafel lag een vertaling van La Divina Commedia van Dante Alighieri. Hij zag dat ik ernaar keek en haalde het boek uit de kartonnen box.

‘Het werk bestaat uit 14.000 verzen,’ zei hij.

Ik bladerde er doorheen. Een eindeloze reeks van 3-regelige strofes in kettingrijm. In het eerste deel daalt Dante af naar de hel.

Juist midden op de reistocht van ons leven

zag ik mij in ‘n donker woud verloren,

daar ik van ’t goede pad was afgeweken.

De kat kroop door een luikje de keuken binnen en liet zich voor de voeten van de man op haar rug vallen, klaar om geaaid te worden. Ik dacht eraan dat ik dat ook wel eens zou willen, met gesloten ogen op mijn rug gaan liggen in de overtuiging dat iemand mij liefdevol zal kriebelen.

‘Ik ga daar wonen.’ Hij wees naar een weilandje verderop.

‘Ik kan je net zo goed even de bouwtekeningen laten zien,’ zei hij en ging me voor naar de woonkamer met uitzicht op de bouwgrond. Hij bladerde door een mapje met computeruitdraaien van zijn toekomstige huis.

‘Een hol,’ zei hij twee keer, ‘Ik ga in een hol wonen.’

De woning zou gedeeltelijk onder een schuine helling van gras en zand komen te liggen. Het zal een berg worden met een huis erin.

En zie, bij de aanvang ongeveer der steilte

stond daar ‘n slanke en uiterst vlugge panter,

wiens leden een gespikkeld vel bedekte.

De kat sprong op schoot en krulde zijn nageltjes in zijn buikvet. Hij kromp ineen maar deed niets. Misschien was dat het, wat zijn vrouw liever had gewild. Een man die de kat verjaagt.

En niet alleen week hij niet uit mijn ogen,

maar bleef zo koppig mij de weg versperren,

dat ’k meer dan eens mij omkeerde om te vluchten. 

Ik stond op en gaf hem een hand. Ik zei dat we elkaar wel mochten. Geen idee waarom. Misschien omdat we allebei in ‘n woud verloren waren.

 

 

 

 

Dante Alighieri vertaald door Kops, P. (1929). Goddelijke komedie. Utrecht: De Torentrans.

 

BFF

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

In vriendschap is er geen moment dat je elkaar het ‘ja woord’ geeft. Je draagt geen ring met datum en je deelt geen bankrekening. Vriendschap is een zwembad dat steeds voller loopt maar nooit overstroomt. Je weet alleen niet met hoeveel mensen je in het zwemwater ligt.

Toen ik op de lagere school zat, had ik een ‘beste vriendinnetje’. Wij noemden elkaar zo. Wij aten halve koekjes, kenden een zoetwaterkreeft in de sloot, hadden een begraafplaats voor onze teennagels en wij wisten allebei dat de stoep 2024 tegels telde. Onze vriendschap was ondeelbaar tot er op een dag een grote vrachtwagen onderaan de flat stond en twee wildvreemde mannen de planken van mijn boekenkast en mijn grote hondenknuffel Boebes de laadruimte binnendroegen. We stonden hand in hand en tuurden over de balustraden. Zachtjes prevelden we dat we voor altijd beste vriendinnen zouden blijven. We zagen elkaar niet meer.

De tijd van ‘beste vriendinnetje’ is voorbij. Op Facebook heb ik wel 500 vrienden en in het echt vijf. Stel dat je met je beste vrienden naar Costa Rica op vakantie gaat. En stel dat ze heel stoer zijn en willen raften op de Naranjo rivier. Jij hebt hier helemaal geen zin in (in mijn geval je durft dit absoluut niet) en je stelt voor om spectaculaire foto’s van hen te maken vanaf een overhangend rotsblok halverwege hun tocht. Vanaf de steen heb je een prachtig uitzicht over het kolkende water en stroomopwaarts zie je het rubberbootje al aan komen varen. Een van hen ziet jou ook en steekt een hand op en zwaait. Juist op dat moment slaat de boot tegen een rots. Tot je schrik drijft het rubberen vlot omgekeerd verder en je vrienden in hun oranje reddingsvesten worden meegesleurd door het stromende water. Je rent naar de auto en pakt een touw met reddingsboei uit de achterbak. Vlakbij zijn ze al. Met de reddingsboei zal je er maar een kunnen redden. Wie redt je? En als je het antwoord weet zou je het dan hardop durven zeggen.

Sommige vriendschappen vinden snel hun volmaakte vorm. ‘De vriendschap heeft geen ander ideaalbeeld dan zichzelf’ (Montaigne, 1588). Bij een dergelijke vriendschap heeft een dialoog een stuwende kracht in zich. De opwinding die je daarbij voelt is eenmalig, je springt samen op een paard en draaft dan in een draaiende beweging omhoog tot de tijd van het samenzijn voorbij is en je het paard achterlaat. In een volgende ontmoeting stijg je samen weer op en draaf verder, de oneindige spiraal omhoog volgend. Jaloezie is er niet omdat je ook niet jaloers kan zijn op jezelf. Het vooruitzicht elkaar weer te zien maakt dat je sommige verhalen of onderwerpen bewaart en onaangeroerd laat. Dit doe je om ze in hun ruwe, zuiverste vorm te laten zien aan de ander om ze vervolgens samen te polijsten.

De dichter Menander noemde ‘hem gelukkig die ook maar de schaduw van een vriend had ontmoet’. Dit verlangen naar vriendschap krijgt op sociale media vorm in overdaad. Facebook is een barstensvol recreatiebad zonder badmeester. Over de witte bodem kruipt soms een zoetwaterkreeft. Wie hem ziet heeft geluk.

 

© Joke van Vliet

Bronnen: Montaigne, M. d. (1588). De essays. Amsterdam: Athenaeum – Polak & van Gennep.

 

Pleur op!

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

De lucht was doortrokken van vocht waardoor de weilanden rondom onze boerderij glazig oogde. Vandaag zou ik de vissenkom kapot tikken waarin ik rondzwom. Ik wuifde de kinderen na die op hun fietsen een spoor trokken door het zand, bevrijdde de kippen uit hun nachthok,  prikte wat stro op de hooivork voor de geiten en at zelf twee broodjes. Daarna nam ik de jerrycan gevuld met benzine mee naar buiten en klom op de tractor.

De zitting was hoger dan ik verwachtte. Gelukkig stak de sleutel nog in het contact. Ik draaide deze rond op eenzelfde manier zoals ik de auto startte en het werkte. De wagen trilde. Ik schakelde met het pookje in de eerste versnelling en duwde het gaspedaal in. Iets te stevig waardoor ik naar voren schoot maar al snel lichtte ik mijn voet iets op en reed in een mooi tempo over het zandpad. Het voertuig schudde dusdanig dat ik voorzag dat ik nog behoorlijk last van mijn zitvlees zou krijgen. Ik schakelde door, moeilijk was het niet.

Ik jakkerde naar de oprit van de snelweg. Hele stukken tikte ik de 110 aan. Bij Amersfoort leegde ik de jerrycan in de benzinetank. Vlak daarna begon het hevig te regenen. De ruitenwissers klapte heen en weer maar het water droop over de voorruit waardoor ik toch bijna geen zicht had. Alleen de witte strepen op het wegdek boden houvast. Verschillende malen toeterden vrachtwagens naar me of ze seinden met hun koplampen maar ik reed gewoon door tot ik rond vier uur Den Haag bereikte. De lucht was geklaard en toen ik Madurodam passeerde scheen zelfs een zonnetje.

Ik volgde de verkeersborden richting Centrum. Mensen stonden stil om naar me te kijken. In Den Haag zie je niet vaak een landbouwwagen. Soms stuurde ik rakelings langs een geparkeerde auto maar steeds ging het net goed. Via de Mauritspoort draaide ik het Binnenhof op. Tot mijn grote geluk vertrok er juist een ministerwagen waardoor de paaltjes die de toegang blokkeerden wegzonken in het wegdek en ik er vol gas, eerder dan de verbouwereerde chauffeur, overheen reed. Onmiddellijk spreidde ik de bomen van de veldspuit en activeerde de verstuivers. Stevige windvlagen stuwden de Glyfosaat over het plein in de gezichten van de toegesnelde agenten. Ik stuurde de wagen in lange banen over het Binnenhof, precies zoals ze rond mijn huis met de tractor doen. Vanuit mijn ooghoek zag ik ineens onze minister-president uit zijn torentje komen. De slippen van zijn colbertjasje wapperden vrolijk op door de wind. Het gif waaide in zijn gezicht.

‘Het geeft niet,’ riep ik hem toe, ‘Het is toegestaan, het is maar Roundup.’

‘Doe eens normaal, man!’ riep hij terug. Hij spoorde de agenten aan om in te grijpen. Snel nevelde ik nog het restant over het plein en reed vol gas de poort uit.

‘Pleur op,’ hoorde ik nog achter me.

Op de terugweg tikte ik de 120 aan en pas om elf uur was ik weer thuis.

De bekende schrijver

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Afgelopen zaterdag reisde ik met een vroege trein naar Amsterdam. In een mapje zaten de eerste vier bladzijden van mijn roman. Ik had er speciaal een nieuwe tas voor gekocht. Een bekende schrijver zou er naar kijken.

Om de zenuwen te verdrijven las ik deel twee van de Napolitaanse romans (de nieuwe achternaam), geschreven door Elena Ferrante. Al snel vergat ik mijn omgeving en transformeerde tot een personage. Ik wandelde door de straten van Napels, voelde de zon branden in mijn nek, kocht een Focaccia bij de kruidenierswinkel en na wat getreuzel haastte ik mij naar het appartement van Lila. Lila was net getrouwd. Haar man sloeg haar en verbood haar te lezen. Hij eiste dat ze het avondeten kookte en dat ze zijn kleding netjes vouwde. Ik liep steeds sneller tot ik bij de voordeur kwam die op een kier stond. In de keuken trof ik hen samen aan. Zonder aarzelen griste ik een mes uit de keukenla en stak een paar keer wild in de richting van de echtgenoot. Deze schoot overeind. Zijn lip trilde, hij zweette en hij schreeuwde dat hij me zou vermoorden. Hij spuugde naar me en probeerde het mes uit mijn handen te slaan. Op goed geluk dook ik naar voren en stak het lemmet in zijn buikvet. Met grote ogen keek hij me aan terwijl ik probeerde het mes weer uit zijn lijf te wrikken, wat niet lukte. Ik liet los en stapte achteruit. Bloed gutste door het witte katoen van zijn hemd. Hij legde zijn handen rond het heft maar vond niet de kracht om het er zelf uit te trekken. Ik zei tegen Lila dat ze haar schriften met aantekeningen moest inpakken. Haar notities leken mij belangrijker dan de juwelen die hij haar had geschonken. Ik wist dat Lila er ook zo over dacht. Haar echtgenoot zakte ineen. Hij staarde naar Lila die op haar gemak haar jas dicht knoopte. Hier aarzelde ik. Zal ik hem laten sterven of zal ik er snel met Lila vandoor gaan zodat hij later in de roman nog weer levend op kan duiken? Op dat moment klonk een vrouwenstem. ‘We naderen station Amsterdam,’ zei ze. Ik keek om me heen. Het was erg druk geworden. Ik haastte mij naar de uitgang van het station.

Zoals Caspar David Friedrich zich nietig voelde ten opzichte van de machtige natuur ervoer ik een zelfde nietigheid ten opzichte van de grootsheid van de menselijke aanwezigheid. Overal om mij heen lagen tegels, stonden palen, gebouwen, bruggen en boven mij dook een vliegtuig onder luid gebrom uit het wolkendek. Wanhopig zocht ik naar een boom of een vogel of zelfs maar een grasje dat zich tussen tegels uit wurmde maar ik vond niets vertrouwds. Wel botste er een lange slungelige jongen, gekleed in een hoodie met onder zijn muts ook nog een pet, tegen mij op en liep door zonder zich om te draaien of sorry te zeggen. Ik besloot rechtsaf te slaan. Het leek mij het minst drukke gedeelte van de stad en nog aardig in de goede richting. Ik passeerde etalages met waterpijpen en delfsblauwe dildo’s of misschien zag ik die voor me zonder dat ze er lagen want echt kijken durfde ik niet. De grote stad was na twintig jaar platteland verder van me af komen te liggen dan de 118,7 kilometer die het daadwerkelijk was.

De schrijver woonde aan de Herengracht. Hij schudde mij de hand. Geen stevige boerenhand zoals ik dat inmiddels gewend was, maar een weke, broze hand met in zich enkel de kracht voor het sturen van een pen over een vel papier. In een paar woorden vatte hij het eerste hoofdstuk samen waardoor ik me plots afvroeg waarom ik zoveel woorden geschreven had. Verder wees hij me erop dat mijn tweede personage zo stilletjes was.

Tijdens de terugreis liet ik het boek van Elena Ferrante in de tas. Ik wilde het niet nog verder verprutsen door een personage af te slachten met een keukenmes. Een hoofdpersoon moet je niet redden maar tot leven wekken door anderen te laten spreken.

 

 

Een naam voor beer

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Zestien jaar geleden bezochten we voor het eerst dierenpark Amersfoort. We keken naar de kinderen, die keken naar de dieren.  We keken hoe het was om iets voor het eerst te zien. We dachten terug aan hoe het was om iets voor het eerst te zien.

Hier en daar lazen we een bordje over de herkomst en leefwijze van het dier. Af en toe zei iemand, ‘goh dat wist ik niet’.  Het uitje werd een traditie. Logischerwijze waren het elk jaar min of meer dezelfde dieren in de kooien maar dat besefte ik niet werkelijk. De bruine beer was een bruine beer en werd nooit die van vorig jaar of het jaar daarvoor. Mijn onachtzaamheid veranderde tijdens het bezoek van vorige week.

Direct na de ingang verblijft (niet woont, dat zeg je niet over dieren in een dierentuin) de bruine beer. Anders dan eerdere bezoekjes ontvingen we dit keer bij de ingang geen papieren plattegrond zoals eerdere jaren, maar werd ons geadviseerd om een app te downloaden. Het leek ons niet leuk om rond te lopen met een smartphone dus zoekend, onthand, besluiteloos zochten we onze weg en ontdekten een bordje met de tekst:  mis niks. Een mis-niks-route leek ons wel wat aangezien we voorgaande jaren vaak het gevoel hadden dat we de mis-van-alles-route liepen.

De bruine beer  zat in een niet al te groot hok waarin een omgeving was nagebootst vol rotspartijen en watervalletjes. Bezoekers en beer werden van elkaar gescheiden door een brede sloot en aan de zijkant een dikke glasplaat. Het was een rustige dag en ik stond alleen achter de glazen wand, zo’n vijf meter vanaf de grote bruine knuffel. Ondanks onze nabijheid en mijn belangstelling voor haar, keek ze niet naar mij. Het was of ik niet bestond. Beer schuurde met haar rug tegen de kunstmatige rotswand en knabbelde aan een twijgje. Haar grote klauw sloeg het takje weg om het daarna zelf tegen te houden met haar tanden. Ik fotografeerde haar. Nog steeds zonder naar me te kijken liet ze zich voorover vallen, schommelde weg, haalde een nieuw takje en kwam direct weer terug. Weer ging ze op haar achterpoten zitten maar nu los van de wand.  Zo zag ze eruit als een circusdier zonder circus. Schattig vond ik, maar ook zielig en wat zou het gevaarlijk zijn wanneer ik in het wild zo dichtbij haar zou staan. Mogelijk stapte ik iets achteruit. Beer draaide haar hoofd naar me en we keken elkaar kort aan. Ze had verrassend kleine, bruine oogjes en ineens schaamde ik me voor de foto die ik van haar maakte. Om van het vervelende gevoel af te komen wilde ik haar een naam geven, maar ik kwam alleen op namen als Teddy en Bram en dat is niks voor een machtig dier als deze bruine beer, dankzij een glaswand gereduceerd tot ‘schattig’. We zien niet werkelijk haar maar een lichaam van haar. Een dierentuin is als een wassenbeeldenmuseum. De glaswand scheidt niet de beer, maar ons van de wereld.