Een doodgewone dag

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Er is een moment dat we de controle verliezen over de tuin. Een moment waarop het gras net te hoog is om nog te maaien, de brandnetels te talrijk om met wortel en al uit de grond te trekken. Een moment waarop de witbolgrassen tot zaad komen en zich door de wind laten losschudden. Een moment waarop het kleefkruid de aalbessenstruiken inkapselt als was het rag van spinselmot.

Het kantelpunt waarop onze wilde tuin overgaat in wildernis verloopt zo geleidelijk dat het besef erover traag achter de feiten aanloopt. Misschien had ik het gevaar kunnen bemerken aan de drift waarmee ik de zuigmond van de stofzuiger over het tapijt bewoog of de razernij waarmee ik in woeste slagen de zeem en daarna de ramenwisser over het glas trok. Ik had hierin de stuiptrekkingen kunnen herkennen van een verlangen om de wereld voorspelbaar en veilig te houden.

Deze morgen daalde ik vanuit het donker van mijn slaapkamer de trap af naar de keuken. Door de kleine vierkante ruitjes van de terrasdeuren zag ik een grijze lucht, kleine spetters op het glas, een geopende bloem van de gele Morgenster en achtergebleven kleine gele bolletjes van de kamille waarvan de witte bloemblaadjes meegevoerd zijn door de nachtelijke storm. Mijn onrustig heen en weer schietende ogen haken aan de stammen van onze Douglasspar en daarna aan de Walnootboom, heerlijk de verticale lijnen die rustpunten bieden tussen alle groene schakeringen. Vanuit de geruststelling dat de wereld van vandaag naadloos aansluit bij die van gisteren, schenk ik heet water op fijngemalen bonen waardoor een bittere geur opstijgt. Met een dergelijke lucht zou ik in een oorlogsgebied nog een stoel zoeken om met de benen over elkaar geslagen mijn handen te warmen aan het kopje.

Het is een ochtend waarop alles rustig oogt. Na het koffie drinken, draai ik het slot van de voordeur open en stap over de drempel naar de buitenwereld. Geur van natte aarde. Het lange gras is gebogen onder het gewicht van liters regenwater die in plenzen uit het wolkendek zijn gesmeten alsof iemand er plezier in had om de aarde zo plat mogelijk achter te laten. Het zandpad glinstert van een landkaart vol slijmsporen van trage naaktslakken. Een fazant krijst vanuit zijn schuilplaats en fladdert omhoog, een schittering van een gloeiende roodachtige glans. Pas dan ontdek ik de afgebroken tak. De Noorse Esdoorn is ingescheurd halverwege de stam. Zijn lange arm ligt half op het kippenhok en het uiteinde ervan heeft de ijzeren steel van de droogmolen verbogen waardoor het gevaarte er uitziet als een ingezakte paddenstoel.

Door het hoge gras loop ik erheen. Water sijpelt de schachten van mijn laarzen binnen. Voor me in het gras roept een jonge merel. Met zijn snavel wijd opengesperd piept hij luider dan mogelijk is vanuit de borstkas van een dergelijk teer vogellijfje. Naast het jong ligt een broertje of zusje op zijn zij, nog zonder veren met alleen de staartpennen als dikke naalden uit de bleke blauwige huid. De haan die mijn rubberlaarzen naderbij ziet stappen snelt toe om verbeten in te hakken op eetbare waren. De moedermerel ketst haar waarschuwingskreet als een vuursteen tegen een andere vuursteen. Snel til ik het weerloze jong op. Even schrik ik van de bloedeloze kilte van het lijfje en bijna gooi ik het beestje van me af, maar een hartslag bonkt in mijn handpalm en ik vouw mijn vingers om het vogeltje om haar te warmen. Grote grijze poten trekt ze onder haar buikje. De haan reikhalst naar het lekkere hapje in mijn handen, maar ik til het buiten zijn bereik. Met wat graan lok ik de haan terug in zijn nachthok en sluit de deur. Moedermerel laat niets meer van zich horen. Het andere jong is weg.

Binnen stook ik de houtkachel op en zet een doosje met wat stro voor het warme vuur op een stoel. Het beestje ademt rustiger en opent nieuwsgierig de oogjes. In ieder geval kan hij even warm worden. Ik verdwijn achter mijn computer en vergeet het beestje tot ik een luid piepen hoor. Hij zal honger hebben, denk ik en haast me naar buiten om een worm te zoeken. Ik trappel met mijn voeten op het gras zoals ik meeuwen ook wel heb zien doen, maar er komt geen worm omhoog. Onder een afgezaagd boomstammetje heb ik meer succes, een dikke pier trekt zich terug in een zandholletje maar ik graai het uiteinde beet. Het beest kronkelt om los te komen, maar ik houd hem stevig vast. Binnen snijd ik hem in kleine stukjes op de broodplank. De kleine stukjes blijven bewegen.

Met een pincet prop ik partjes van de worm in het snaveltje. Het eten verdwijnt in haar keelgat en even lijkt het beestje tevreden. Dan spert ze alweer haar snavel open en weer stop ik er een stukje worm in. Telkens wanneer ik weg wil lopen piept ze opnieuw. Al snel is de worm op. Ik haast me naar buiten voor nog meer voedsel. Het jong is zo hongerig dat ze de ene na de andere worm verslindt. Steeds zoek ik onder tegels en stammetjes om nieuwe insecten te vinden. Pissebedden, oorwurmen, bij elkaar geschraapte luizen. Ze slikt ze door als zachte oesters. Ze is zo hongerig dat ik gewoon niet toe kom aan mijn eigen maaltijd. Telkens wanneer ik een broodje wil smeren snerpt haar hongerkreet alweer tegen mijn trommelvliezen. Mijn maag rammelt en mijn eetlust is zo groot dat wanneer ik een hele dikke worm vind onder de drinkbak van de haan, voor ik het besef, ik het krioelende beest zo in mijn mond prop. Het gekronkel over mijn tong en tegen mijn gehemelte is eerst onaangenaam, maar al snel bijt ik het taaie spierachtige stuk vlees door midden en proef ik een zoute smaak vermengd met aarde. De combinatie van de zachte structuur en de knisperige zandkorrels verrast me en ik kauw stevig door. Het vlees verdrijft de honger enigszins. Voor me in het zand kruipt een pissebed. Ook deze verdwijnt in mijn mond. Daarna een oorwurm en een motje en ik lik aan een herderstasje vol luizen. Dan til ik ook de voederbak op. Het stikt van de duizendpoten. Mieren buitelen over elkaar heen om hun eitjes in veiligheid te brengen. Alles verdwijnt in mijn mond en ik eet net zo lang door tot ik helemaal vol zit. Voldaan kruip ik tussen het bladerdek van de omgevallen Esdoorn. Het spettert nog altijd, maar koud heb ik het niet. Als ik wakker word hoor ik de merel fluiten. Ik strek mijn benen uit en wil rechtop zitten, maar merk dat ik op een vreemde manier mijn voeten onder mijn lijf schuif. Ik probeer mijzelf overeind te duwen. Mijn armen flapperen. Woest beweeg ik ze totdat ik ineens los kom van de grond. Ik fladder tussen de takken door omhoog en land op de droogmolen. Moedermerel vliegt snel naar me toe met een extra dikke worm in haar snavel. Ik piep en schreeuw zo hard als ik kan en ze propt het hapje naar binnen. Het glijdt als vanzelf door mijn keel en even voel ik rust. Dan vlieg ik verder omhoog tot ver boven het rieten dak. Onder mij zie ik de tak van de Noorse Esdoorn en de droogmolen. Een mens ligt in het gras. Haar hoofd is verbrijzeld onder een tweede tak van de boom.

 

© Joke van Vliet

Het zoeken naar wetmatigheden

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Er zijn dagen dat de wereld zich aan me voordoet als onvoorspelbaar en gevaarlijk. De angst begint als een kralenketting die breekt. Ik schrik en grijp nog naar mijn hals, maar het is al te laat. De kraaltjes stuiteren alle richtingen uit. Het kost me weken om alle kraaltjes weer bij elkaar te zoeken, te sorteren en opnieuw te rijgen. Soms mist er één.

Een witte tuinstoel op een kaal gazon maakt me droevig.  Ik ben als een vreemdeling in mijn eigen woning. De wegen op de landkaart zijn mij onbekend. Geen route staat aangegeven. Alleen ligt er nog een omgevallen paddenstoel op de kruising. Mijn vrienden leven in rijtjeshuizen achter dubbel glas. Ik blijf ook binnen en zit aan de lange tafel, ooit bedoeld voor grote pannen met gerechten uit kookboeken. Een schort hangt aan een haakje. Af en toe duwt, nog hoopvol, de hond zijn snoet tegen mijn hand. Ik aai, maar voel niet de warmte van haar vacht. Het papier voor me blijft wit.

Mijn woorden wachten op een muze. De wereld kan mijn muze zijn. Ik ken de mensen. Ik ken de kale man. De kale man die aan zijn bot kluift. Zijn handen nog zwart van de olie. We zouden geliefden kunnen zijn. Ik weet hoe zijn gereedschap werkt. Ik weet hoe een waterpomptang draait rond een hardnekkig vastzittende moer. Ik ken het geluid van een sleutel die valt op een betonvloer. Ik ken de zomerhit die uit de boxen schalt. Ik draai voor hem de kalenderplaten door tot mei, waar de blonde vrouw op rolschaatsen haar rokje omhoog tilt. Ik drink zijn slappe koffie uit de automaat. Ik ben ertoe bereid.

Ik ken ook de huisarts. Zijn mooie vrouw lacht al jaren niet meer. Het huisje in Frankrijk overwoekert. Het onderzoeken van wratten, kleine breuken, buikpijn en benauwdheid heeft hij overgedragen aan zijn assistente. Hoge koorts en overgeven alarmeren hem pas wanneer het langer dan drie dagen aanhoudt. Een lijf praat niet en alleen de afwijkingen interesseren hem. Een kind met drie ballen vindt hij mooi of het hechten van een wond in een zachte lip. In de weekenden draagt hij een oude vieze jas. Met zijn grote rubberlaarzen loopt hij expres over de zojuist gedweilde keukenvloer. Het warme lijf van een dood konijn troost hem. De kruitdampen verjagen zijn sombere gevoel. Zijn vrouw bereidt het dier.

Een leven is gevuld met opmerkelijke details. Soms klinkt er een voice-over in mijn hoofd als in een natuurfilm. De stem vertelt over een leeuwin maar ik zie savannegras en uitgebleekte lucht. De stem vertelt over een leeuwin die zich klaar maakt voor de jacht, maar ik zie hoe ze haar lome poten strekt, haar lijf schudt en haar ogen toeknijpt. Waarnemen is het enige waartoe wij bereid moeten zijn om te weten welke afstand we tot elkaar moeten bewaren.

Het verschil tussen moorden en doden zit in de noodzaak die leidt tot de daad. Er is een duister spel gaande. Zie de mens als een bacterie en ineens begrijp je ons doel. Wij zijn niet op aarde om de wereld in stand te houden, maar om ons te vermeerderen. Tot we omkomen in onszelf. Pas als je niet lang meer te leven hebt, is de schaduw van een kersenboom voldoende om gelukkig te zijn.

 

© Joke van Vliet 2019

 

De bekende schrijver

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Afgelopen zaterdag reisde ik met een vroege trein naar Amsterdam. In een mapje zaten de eerste vier bladzijden van mijn roman. Ik had er speciaal een nieuwe tas voor gekocht. Een bekende schrijver zou er naar kijken.

Om de zenuwen te verdrijven las ik deel twee van de Napolitaanse romans (de nieuwe achternaam), geschreven door Elena Ferrante. Al snel vergat ik mijn omgeving en transformeerde tot een personage. Ik wandelde door de straten van Napels, voelde de zon branden in mijn nek, kocht een Focaccia bij de kruidenierswinkel en na wat getreuzel haastte ik mij naar het appartement van Lila. Lila was net getrouwd. Haar man sloeg haar en verbood haar te lezen. Hij eiste dat ze het avondeten kookte en dat ze zijn kleding netjes vouwde. Ik liep steeds sneller tot ik bij de voordeur kwam die op een kier stond. In de keuken trof ik hen samen aan. Zonder aarzelen griste ik een mes uit de keukenla en stak een paar keer wild in de richting van de echtgenoot. Deze schoot overeind. Zijn lip trilde, hij zweette en hij schreeuwde dat hij me zou vermoorden. Hij spuugde naar me en probeerde het mes uit mijn handen te slaan. Op goed geluk dook ik naar voren en stak het lemmet in zijn buikvet. Met grote ogen keek hij me aan terwijl ik probeerde het mes weer uit zijn lijf te wrikken, wat niet lukte. Ik liet los en stapte achteruit. Bloed gutste door het witte katoen van zijn hemd. Hij legde zijn handen rond het heft maar vond niet de kracht om het er zelf uit te trekken. Ik zei tegen Lila dat ze haar schriften met aantekeningen moest inpakken. Haar notities leken mij belangrijker dan de juwelen die hij haar had geschonken. Ik wist dat Lila er ook zo over dacht. Haar echtgenoot zakte ineen. Hij staarde naar Lila die op haar gemak haar jas dicht knoopte. Hier aarzelde ik. Zal ik hem laten sterven of zal ik er snel met Lila vandoor gaan zodat hij later in de roman nog weer levend op kan duiken? Op dat moment klonk een vrouwenstem. ‘We naderen station Amsterdam,’ zei ze. Ik keek om me heen. Het was erg druk geworden. Ik haastte mij naar de uitgang van het station.

Zoals Caspar David Friedrich zich nietig voelde ten opzichte van de machtige natuur ervoer ik een zelfde nietigheid ten opzichte van de grootsheid van de menselijke aanwezigheid. Overal om mij heen lagen tegels, stonden palen, gebouwen, bruggen en boven mij dook een vliegtuig onder luid gebrom uit het wolkendek. Wanhopig zocht ik naar een boom of een vogel of zelfs maar een grasje dat zich tussen tegels uit wurmde maar ik vond niets vertrouwds. Wel botste er een lange slungelige jongen, gekleed in een hoodie met onder zijn muts ook nog een pet, tegen mij op en liep door zonder zich om te draaien of sorry te zeggen. Ik besloot rechtsaf te slaan. Het leek mij het minst drukke gedeelte van de stad en nog aardig in de goede richting. Ik passeerde etalages met waterpijpen en delfsblauwe dildo’s of misschien zag ik die voor me zonder dat ze er lagen want echt kijken durfde ik niet. De grote stad was na twintig jaar platteland verder van me af komen te liggen dan de 118,7 kilometer die het daadwerkelijk was.

De schrijver woonde aan de Herengracht. Hij schudde mij de hand. Geen stevige boerenhand zoals ik dat inmiddels gewend was, maar een weke, broze hand met in zich enkel de kracht voor het sturen van een pen over een vel papier. In een paar woorden vatte hij het eerste hoofdstuk samen waardoor ik me plots afvroeg waarom ik zoveel woorden geschreven had. Verder wees hij me erop dat mijn tweede personage zo stilletjes was.

Tijdens de terugreis liet ik het boek van Elena Ferrante in de tas. Ik wilde het niet nog verder verprutsen door een personage af te slachten met een keukenmes. Een hoofdpersoon moet je niet redden maar tot leven wekken door anderen te laten spreken.