Leesfragment ‘Zwarte kamer’

uit Wanneer de herten komen

Nu op de shortlist van de J.M.A. Biesheuvelprijs: het debuut van Joke van Vliet, Wanneer de herten komen. Lees de eerste pagina’s uit het verhaal ‘Zwarte kamer’.

Zwarte kamer

De stilte in huis maakt de lucht dik. Het bemoeilijkt het ademen. Carla voelt druk op haar borstkas. Ze zal toch geen hartaanval krijgen? Ze slaat het laken op. Een zacht briesje waait over haar bezwete benen. Het is zaak om naar buiten te gaan voor de stilte haar te pakken krijgt.
Ze klimt uit bed. Het scharnier van de kamerdeur piept als ze hem opent. Ze wacht op een reactie, een tegengeluid, zoals het kraken van de trap, het dichtslaan van de koelkast, het ontbranden van een tl-buis. Het blijft stil. Ze sluipt over het tapijt tot aan de koude tegels van de badkamer. De koele kamer noemt ze die.
Bij de wastafel houdt ze een washandje onder de kraan en drukt het tussen haar borsten. Water sijpelt over haar buik, langs haar benen omlaag, tot het een klein plasje rond haar voeten vormt. Ze droogt zich niet af en draait zich om naar het openstaande raam. ‘Laat de wind mijn huid drogen,’ zegt ze.
Toen de mannen met hun blauwe petten kwamen en toen ze rood-witte linten rondom de stam van de kastanjeboom spanden, stond ze hier ook, op dezelfde plek. Ze hadden haar gewaarschuwd niet te komen kijken en ze was binnengebleven.
Carla staart naar wat er is overgebleven van deboom. Nog geen maand geleden stond hij als een koning in het goudkleurige veld, zijn bladerdak versierd met honderden kronen. Na de bliksem was hij een zwartgeblakerde stam, een dictator met rondom hem de stoppels van het gerooide koolzaad als soldaten, stijf rechtop, in afwachting van een nieuw bevel.

Zitten voor een ontbijt wil ze niet meer. Ze belegt haar boterham met rookvlees, vouwt hem dubbel en neemt hem mee naar buiten. Snel sluit ze de deur in de hoop de stilte achter zich te laten, maar die omringt haar als zo’n plastic waterbal waar ze wel eens kinderen in heeft zien rollen op de vijver. Op het erf twijfelt ze. Het best zou ze het hele veld leegruimen, de koolzaadstoppels een voor een uit de grond trekken.
Ze neemt de emmer al op om hem te vullen als ze over het zandpad een jongetje op een stepje dichterbij ziet komen. Zo in de verte heeft hij enigszins het postuur van haar Gijsje. Er trekt een rilling over haar rug als ze zijn naam alleen al denkt.
Hij schiet het erf op, het voorwiel tot vlak voor haar laarzen. Zijn flaporen zijn rood van de inspanning om bij haar huis te komen. Zijn tanden verdringen elkaar in zijn smalle kaak. Hij heeft dunne lippen. Zijn kruin doet denken aan het uiteinde van een afgesneden stengel van de berenklauw. Niet alle kinderen vertederen, denkt ze.
Ze houdt hem de boterham met rookvlees voor. Hij graait hem uit haar hand, vist de plak vlees ertussenuit en werpt het naar de haan. Die stuift erop af en hakt erin met zijn snavel.
‘Komt Gijs weer thuis?’ vraagt hij.
Ze ziet hoe de haartjes op zijn onderarm een vacht vormen. Ze schudt haar hoofd. Het jongetje draait zijn step om. Ze ziet vegen op zijn kuiten en kleine stoppels in zijn nek. Zand stuift op als hij zich afzet en wegstept.

Carla slentert naar het veld, bukt zich en trekt de stoppels uit de grond. De wortels laten gemakkelijk los. Droog zand waait op en plakt aan het zweet op haar armen. Ze vult de emmer met zandkluiten. Met de volle emmer keert ze terug naar de boerderij. Zonder haar voeten te vegen loopt ze het huis binnen. Ineens weet ze waar de stilte vandaan komt en ze is vastbesloten die te verdrijven.

Na het demonteren van zijn Formule 1-bedje is ze niet meer in zijn kamer geweest. Het ruikt er muf. Naar vuile was. Ze kiepert de emmer met zwarte aarde leeg op het lichtblauwe tapijt. Ze merkt dat het klopt. De muren zouden niet meer pastel moeten zijn en het tapijt zou niet meer schoon moeten zijn. Nu ze weet wat haar te doen staat haast ze zich opnieuw naar het veld en vult ze de ene na de andere emmer, die ze leegkiepert op de vloer in zijn kamertje. Tijd voor middageten neemt ze niet.
Na een dag hard werken ligt er midden in de kamer al een aardige berg. Ze is tevreden. Bezweet en zwart van de aarde duikt ze die avond tussen haar schone lakens.

De volgende morgen is het buurjongetje er weer als ze buitenkomt. Zijn stepje leunt tegen de regenton. Ze geeft hem haar boterham. Hij vist het vlees ertussenuit en gooit het naar de haan. Ze denkt aan het blonde, romige kroeshaar van Gijsje. Krullen die vrolijk opveerden wanneer hij huppelde. Ze denkt aan het grijs van zijn ogen en zijn frisse roze lippen. Zo anders dan die smalle oogjes en die knijpende lippen in dit gezicht. Waarom had God hem gespaard en niet haar zoon?
Ze neemt de emmer en loopt naar de plek waar ze de vorige dag is geëindigd. Hij volgt haar. Samen trekken ze de stoppels uit het land. Ze zwijgen. De volle emmer draagt hij naar het huis, de trap op. Hij volgt de vieze voetsporen. In de kamer klimt hij boven op de hoop die er al ligt om daar de volle emmer te legen. Hij haast zich terug naar het veld om hem opnieuw te vullen. Zo werken ze de hele dag door. Pas als het gaat schemeren stept hij naar huis.

De volgende morgen miezert het. Er hangt een grijze nevel boven het veld. In de verte hoort ze ijzeren wieltjes over het zandpad rollen. De buurjongen hijgt van de inspanning als hij het stuur van zijn stepje tegen de regenton laat vallen. Zijn haren hangen in dunne pieken in zijn nek. Zijn smalle kuiten zijn vochtig, de pezen aan de achterkant van zijn benen rood. De pijpen van zijn korte broek plakken tegen zijn bovenbenen. Hij trekt de stof los voor hij zich omdraait.
Met zijn smalle ogen bestudeert hij haar handen. Ze stopt hem de doorweekte boterham toe. Zijn dunne polsen schieten uit zijn te korte mouwen om hem aan te nemen. Met grote stappen rent de haan op hen af en de jongen werpt het lapje vleesbeleg in een andere richting. Haastig keert de haan om, klappert met zijn vleugels en spurt weg naar het rode lapje.
De buurjongen schrokt het slappe brood naar binnen, eerst het middenstuk en dan de korst. Zijn nagels zijn dof en afgekloven. Die van Gijsje glansden juist als kleine roze schelpjes op het strand. Zijn handen waren fors en zijn vingers sterk. Ze ziet hem zo voor zich in het ochtendlicht aan de keukentafel. Zijn aandachtige blik, zijn armen rond en vol. Op zijn ontbijtbord de voorgesneden stukjes brood, spaarzaam belegd. Mes en vork aan weerszijden. Een glas melk ernaast. Bedachtzaam at hij de afgemeten stukjes, kauwde erop met gesloten mond. Na elke hap leek zijn lichaam in kracht toe te nemen.
Carla tilt de emmer op en loopt tussen de achtergebleven kuilen door over het land. Haar voetzolen trekken de vochtige grond los van de droge zandlaag eronder. In de verte steekt de zwartgeblakerde stam van de kastanjeboom hoog boven de begroeiing uit, zijn onderste takken als wiekende armen. Achter zich hoort ze de hijgende ademhaling van het jongetje. Het onrustige geluid jaagt haar op. Gijsje hijgde nooit, zijn ademhaling paste bij de omgeving zoals de wind bij de herfst.
Voor ze weer verdergaat met het werk trekt ze de rits van haar groene parka hoger dicht. Ze staart naar de natte wereld rondom haar. Het liefst zou ze hier verstenen en voor altijd achterblijven als een monument, maar het buurjongetje wipt ongeduldig om haar heen, springt van zijn ene dunne been op zijn andere. Met zijn natte, koude vingertjes tikt hij tegen haar hand in de hoop haar weer in beweging te krijgen. Ze trekt haar hand terug. De vingers van Gijsje waren nooit koud of klam. Zelfs niet als hij had gezwommen. Meteen ziet ze hem voor zich met zijn mollige kinderlijf, zijn bolle buikje, klaar om vanaf de brugleuning in de vaart te springen, in de lucht net zo flink en stabiel als op het land. Zwaar en vol verdween hij dan in de diepte om zichtbaar als een lichte vlek onder water naar de kant te zwemmen. Daar verscheen hij dan weer boven de waterspiegel, zijn blik op haar gericht, zijn blonde krullen glad over zijn hoofdhuid, zijn wangen fris en schoon. Beheerst nam hij een teug lucht en klom soepel, in één beweging, uit het water, zijn huid nat en glanzend. Hij rende in zijn gestreepte zwembroekje langs haar voor alweer een volgende sprong. Bij het passeren raakten zijn vingers de rug van haar hand. Hoewel hij uit het koude water kwam, voelden ze warm en levendig. Nooit koud zoals de hand van het buurjongetje.
Verderop vliegt een troep duiven onverwachts op vanuit het veld. Hun vleugels klapperen luid. Carla schrikt op vanuit haar mijmering, zet zichzelf weer in beweging. Het jongetje juicht. Ze bukt en trekt met de routine van de voorgaande dagen de koolzaadstoppels uit de grond.

[…]

Copyright © 2022 Joke van Vliet

https://www.athenaeum.nl/leesfragmenten/2023/wanneer-de-herten-komen