De bekende schrijver

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Afgelopen zaterdag reisde ik met een vroege trein naar Amsterdam. In een mapje zaten de eerste vier bladzijden van mijn roman. Ik had er speciaal een nieuwe tas voor gekocht. Een bekende schrijver zou er naar kijken.

Om de zenuwen te verdrijven las ik deel twee van de Napolitaanse romans (de nieuwe achternaam), geschreven door Elena Ferrante. Al snel vergat ik mijn omgeving en transformeerde tot een personage. Ik wandelde door de straten van Napels, voelde de zon branden in mijn nek, kocht een Focaccia bij de kruidenierswinkel en na wat getreuzel haastte ik mij naar het appartement van Lila. Lila was net getrouwd. Haar man sloeg haar en verbood haar te lezen. Hij eiste dat ze het avondeten kookte en dat ze zijn kleding netjes vouwde. Ik liep steeds sneller tot ik bij de voordeur kwam die op een kier stond. In de keuken trof ik hen samen aan. Zonder aarzelen griste ik een mes uit de keukenla en stak een paar keer wild in de richting van de echtgenoot. Deze schoot overeind. Zijn lip trilde, hij zweette en hij schreeuwde dat hij me zou vermoorden. Hij spuugde naar me en probeerde het mes uit mijn handen te slaan. Op goed geluk dook ik naar voren en stak het lemmet in zijn buikvet. Met grote ogen keek hij me aan terwijl ik probeerde het mes weer uit zijn lijf te wrikken, wat niet lukte. Ik liet los en stapte achteruit. Bloed gutste door het witte katoen van zijn hemd. Hij legde zijn handen rond het heft maar vond niet de kracht om het er zelf uit te trekken. Ik zei tegen Lila dat ze haar schriften met aantekeningen moest inpakken. Haar notities leken mij belangrijker dan de juwelen die hij haar had geschonken. Ik wist dat Lila er ook zo over dacht. Haar echtgenoot zakte ineen. Hij staarde naar Lila die op haar gemak haar jas dicht knoopte. Hier aarzelde ik. Zal ik hem laten sterven of zal ik er snel met Lila vandoor gaan zodat hij later in de roman nog weer levend op kan duiken? Op dat moment klonk een vrouwenstem. ‘We naderen station Amsterdam,’ zei ze. Ik keek om me heen. Het was erg druk geworden. Ik haastte mij naar de uitgang van het station.

Zoals Caspar David Friedrich zich nietig voelde ten opzichte van de machtige natuur ervoer ik een zelfde nietigheid ten opzichte van de grootsheid van de menselijke aanwezigheid. Overal om mij heen lagen tegels, stonden palen, gebouwen, bruggen en boven mij dook een vliegtuig onder luid gebrom uit het wolkendek. Wanhopig zocht ik naar een boom of een vogel of zelfs maar een grasje dat zich tussen tegels uit wurmde maar ik vond niets vertrouwds. Wel botste er een lange slungelige jongen, gekleed in een hoodie met onder zijn muts ook nog een pet, tegen mij op en liep door zonder zich om te draaien of sorry te zeggen. Ik besloot rechtsaf te slaan. Het leek mij het minst drukke gedeelte van de stad en nog aardig in de goede richting. Ik passeerde etalages met waterpijpen en delfsblauwe dildo’s of misschien zag ik die voor me zonder dat ze er lagen want echt kijken durfde ik niet. De grote stad was na twintig jaar platteland verder van me af komen te liggen dan de 118,7 kilometer die het daadwerkelijk was.

De schrijver woonde aan de Herengracht. Hij schudde mij de hand. Geen stevige boerenhand zoals ik dat inmiddels gewend was, maar een weke, broze hand met in zich enkel de kracht voor het sturen van een pen over een vel papier. In een paar woorden vatte hij het eerste hoofdstuk samen waardoor ik me plots afvroeg waarom ik zoveel woorden geschreven had. Verder wees hij me erop dat mijn tweede personage zo stilletjes was.

Tijdens de terugreis liet ik het boek van Elena Ferrante in de tas. Ik wilde het niet nog verder verprutsen door een personage af te slachten met een keukenmes. Een hoofdpersoon moet je niet redden maar tot leven wekken door anderen te laten spreken.

 

 

Een naam voor beer

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Zestien jaar geleden bezochten we voor het eerst dierenpark Amersfoort. We keken naar de kinderen, die keken naar de dieren.  We keken hoe het was om iets voor het eerst te zien. We dachten terug aan hoe het was om iets voor het eerst te zien.

Hier en daar lazen we een bordje over de herkomst en leefwijze van het dier. Af en toe zei iemand, ‘goh dat wist ik niet’.  Het uitje werd een traditie. Logischerwijze waren het elk jaar min of meer dezelfde dieren in de kooien maar dat besefte ik niet werkelijk. De bruine beer was een bruine beer en werd nooit die van vorig jaar of het jaar daarvoor. Mijn onachtzaamheid veranderde tijdens het bezoek van vorige week.

Direct na de ingang verblijft (niet woont, dat zeg je niet over dieren in een dierentuin) de bruine beer. Anders dan eerdere bezoekjes ontvingen we dit keer bij de ingang geen papieren plattegrond zoals eerdere jaren, maar werd ons geadviseerd om een app te downloaden. Het leek ons niet leuk om rond te lopen met een smartphone dus zoekend, onthand, besluiteloos zochten we onze weg en ontdekten een bordje met de tekst:  mis niks. Een mis-niks-route leek ons wel wat aangezien we voorgaande jaren vaak het gevoel hadden dat we de mis-van-alles-route liepen.

De bruine beer  zat in een niet al te groot hok waarin een omgeving was nagebootst vol rotspartijen en watervalletjes. Bezoekers en beer werden van elkaar gescheiden door een brede sloot en aan de zijkant een dikke glasplaat. Het was een rustige dag en ik stond alleen achter de glazen wand, zo’n vijf meter vanaf de grote bruine knuffel. Ondanks onze nabijheid en mijn belangstelling voor haar, keek ze niet naar mij. Het was of ik niet bestond. Beer schuurde met haar rug tegen de kunstmatige rotswand en knabbelde aan een twijgje. Haar grote klauw sloeg het takje weg om het daarna zelf tegen te houden met haar tanden. Ik fotografeerde haar. Nog steeds zonder naar me te kijken liet ze zich voorover vallen, schommelde weg, haalde een nieuw takje en kwam direct weer terug. Weer ging ze op haar achterpoten zitten maar nu los van de wand.  Zo zag ze eruit als een circusdier zonder circus. Schattig vond ik, maar ook zielig en wat zou het gevaarlijk zijn wanneer ik in het wild zo dichtbij haar zou staan. Mogelijk stapte ik iets achteruit. Beer draaide haar hoofd naar me en we keken elkaar kort aan. Ze had verrassend kleine, bruine oogjes en ineens schaamde ik me voor de foto die ik van haar maakte. Om van het vervelende gevoel af te komen wilde ik haar een naam geven, maar ik kwam alleen op namen als Teddy en Bram en dat is niks voor een machtig dier als deze bruine beer, dankzij een glaswand gereduceerd tot ‘schattig’. We zien niet werkelijk haar maar een lichaam van haar. Een dierentuin is als een wassenbeeldenmuseum. De glaswand scheidt niet de beer, maar ons van de wereld.

 

Kunstkikkerdril

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Sinds gisteren ben ik wonderbaarlijk genezen. Ik heb mijn verlossing te danken aan een schrikbeeld.

Ik trof een vrouw aan in mijn atelier. Ze droeg een zwart rokje rond haar volle heupen en erboven een kort, getailleerd viltvestje.

‘Ik heb wat vragen voor jou,’ zei ze, terwijl ze haar notitieblokje opensloeg.

Voor jij wilt aankleven aan ons kunstkikkerdril moet ik eerst weten of je wel voldoet. Ik staarde naar mijn voeten. Had ik nou wel schoenen aan? En waar was mijn broek eigenlijk gebleven? Hoe kon ik deze vrouw, die waarschijnlijk een belangrijk lid was, nu ontvangen met twee harige onderbenen en blote voeten. Verder omhoog kijken durfde ik niet. Snel veegde ik wat losse tekenvellen van tafel en wees haar op mijn chocolaatjes en ruitjeskoeken, maar ze weigerde.

‘Dit heb ik al zo vaak gezien,’ sprak ze.

Het was warm in de kamer terwijl het vannacht nog gevroren had. Ik schoof het raam wat verder open. Een opgezet uiltje viel naar beneden. Ik keek hem na, hoe hij landde tussen de rozenstruiken. Ben ik al een dode uil?

Ik draaide mij om, terug in het tafereel, maar de kamer was veranderd. Ik bevond mij zowel in als buiten de ruimte. Het atelier was niet langer in symbiose met mijn schedelinterieur, maar gewoon een kamer met vier muren volgestouwd met objecten, een rariteitenkabinet en ik was de dompteur die alle spullen tot zwijgen bracht. Vroeg iemand ooit aan de tijgermossel of hij wel een schelp was?

Nog een koffie wilde ze niet. Ze was al te lang weg van haar klont. Dit oosten lag toch wel erg uit de route.

Mijn perfecte vriendin

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Mijn vriendin en ik hebben een ideale vriendschap. Wij kunnen zwijgen zonder bang te zijn. We verschillen ook.

Ze vindt het bijvoorbeeld erg leuk om een klapwiekende meerkoet achterna te zwemmen. Daar heb ik zelf niks mee. Ze klauwt dan door het water terwijl haar smalle hoofdje steeds dieper wegzakt in het wateroppervlak. Na een paar minuten lijkt ze zich af te vragen hoe ze in dat ijskoude kanaalwater terecht is gekomen. Vanuit dit nieuwe besef koerst ze dan naar de kant, rent in afgeslankte vorm tot vlak naast mij en schudt haar vacht los en droog. Zelfs op een dergelijk moment zwijgen we omdat ik wil dat ze weet dat ze altijd welkom is, zelfs in doorweekte toestand.

Ook haar liefde voor ondergrondse muizennesten deel ik niet. Wanneer ze de beestjes ruikt graaft ze in korte tijd een miniatuurversie Ardennen in een verder kaarsrecht weiland. Haar neus drukt ze voortdurend in zwarte opengewerkte aarde, niet zelden een dikke laag uitgereden mest. Ze vindt de muizen nooit maar is gelukkig. Wanneer ik met de grondwoeler ingeklonken aarde los werk in mijn moestuin overvalt me een vergelijkbaar genot.

Elke zondag passeert er een herdershond. Hij sleurt zijn baas achter zich aan. Wanneer mijn vriendin het beest ruikt, rijzen haar rugharen recht overeind en krabt ze met haar nagels woest over de pas aangebrachte verflaag op de buitendeur. Ik doe het niet maar bij sommige mensen heb ik een vergelijkbare aandrang.

Mijn vriendin vouwt zichzelf in elkaar om te slapen, liefst op haar gelooide schapenhuid. Wanneer ze haar pootjes strekt, wippen haar nageltjes iets op en soms trillen haar neusvleugels en maakt ze hoge piepende droomgeluidjes. Ik voel dan van die dingen als; ik zal voor altijd van je houden en ik zal je altijd beschermen. Zonder er ooit met haar over gesproken te hebben weet ik dat het wederzijds is. Vind zoiets maar eens in vriendschap.

_JVV1107

 

Een mening is een schutting

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Voorjaar en hoop. Ik zou die twee woorden nooit samen in een zin plaatsen omdat ze te veel bij elkaar horen. Ook zou ik een tekst die begint met deze woorden nooit verder lezen.

Er zijn veel dingen die ik niet doe.

Mensen vinden het grappig om dingen groter te maken of juist kleiner. Zo houden ze van extravagante orchideeën en SUV’s en ook van Shih Tzu hondjes en Falabella minipaardjes. Zelf willen mensen niet klein zijn. Hele volksstammen tantes en oma’s roemen kinderen om hun groei. Het zal wel iets met overlevingsdrift te maken hebben.

Een gesprek is soms een gevecht. Er bungelt een sabel achter de rug van je tegenstander. Ineens kan hij naar je uithalen terwijl jij net je mes hebt weggelegd. Dan strompel je na het gesprek weg met een steekwond in de buurt van je hart. Je hoopt nog dat het niet zo bedoeld was maar je weet wel beter.

Als mensen een tatoeage hebben kan ik mijn ogen er niet vanaf houden. Afgelopen zomer kampeerden we naast een echtpaar. De man droeg korte broeken en mouwloze shirtjes. Verder ging hij vaak naar het wc-blok. Zijn huid leek een kleurplaat waar een hoop mensen tegelijk aan bezig waren. Hij maakte graag een praatje, bij elke tent stopte hij wel even. Hij vertelde dan over zijn honden die niet mee waren op vakantie. Uiteindelijk gingen ze drie dagen eerder naar huis dan ze oorspronkelijk van plan waren.

Er zijn veel dingen die ik niet doe. Meestal weet ik eigenlijk niet eens waarom. Vaak heb ik er een mening over. Een mening is een schutting. Daar ga je niet zomaar overheen.

 

 

Glasvezel voor Montaigne

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Ik ben een nutteloos mens. Daar kwam ik pas vanochtend achter toen ik het woord nuttig opzocht in de van Dale. Nuttig betekent bruikbaar of voordelig en ik ben geen van beiden.

Wanneer ik naar buiten kijk over de landbouwgronden van de omringende boerderijen valt mijn oog op een autootje dat verderop staat met de achterklep omhoog. Twee mannen in oranje gekleurde hesjes scheppen in de aarde. Ik zag ze de laatste tijd al vaker opduiken. Soms verscholen in een witte iglo van zeil en hout en soms in een klein kraantje dat met een smalle schep een geul groef. Vorige maand naderden ze met een dergelijk machientje tot vlakbij ons huis. Een minikanaal ontstond langs het prikkeldraad van de aangrenzende wei en eind van de dag schoot er naast de voordeur ineens een kabel uit de grond. Vanmorgen belde het tweetal aan met een boormachine in handen zoals je ook een AK-47 vasthoudt. Ze boorden een gat door de buitenmuur naar binnen tot in de meterkast. Door het gat trokken ze de felgroene kabel. Als een meanderende rivier slingerde de draad omhoog tot hij verdween in een wit kastje. Wij hebben meer van dat soort witte kastjes in huis waarvan ik geen flauw idee heb waar ze toe dienen en wat ze kunnen. Mij is verteld dat ze ervoor gaan zorgen dat mijn internet in de toekomst supersnel zal zijn. Veel mensen vinden dat fijn en bruikbaar en voordelig. De twee mannen die glasvezel in onze buurt aanleggen zijn dus nuttig.

Nadenkend over nut neem ik het boek van Michel de Montaigne ter hand en sla het open op een willekeurige pagina. De titel van de bladzijde is: loze spitsvondigheden (Ik snap het als je dit niet gelooft maar het is echt waar). Op deze bladzijde vind ik een passage over een man die een gierstkorrel zo behendig had leren werpen dat hij steeds zonder mankeren door het oog van een naald vloog. Naar aanleiding van dit voorbeeld schrijft Montaigne: ‘Een uitstekend bewijs van de zwakte van ons verstand is dat het de dingen aanprijst op grond van hun zeldzaamheid of nieuwigheid of zelfs vanwege hun moeilijkheid ook al zijn ze nergens goed of nuttig voor’. Dat klinkt als een pleidooi voor nuttig zijn. Toch waarschuwt hij zijn lezers in de inleiding van zijn essays dat hij met het schrijven slechts privé doeleinden nastreeft. ‘Als het hem te doen was geweest om bijval te krijgen van de wereld had hij zich wel mooier en meer bestudeerd voorgedaan’.

Ik vraag me af wat Montaigne zou vinden van de komst van glasvezel. Zijn eerste upload zou dan zijn geweest in 1580, zijn tweede upload met veel nieuwe opmerkingen en waarnemingen in 1588 en zijn laatste versie in 1592. Ik kan me voorstellen dat Montaigne na twaalf jaar intensief schrijven en diep nadenken teleurgesteld zou zijn als zijn bestand binnen drie seconden is geüpload. Traag internet toont tenminste nog wat respect voor grote bestanden. Daarnaast zou er een risico bestaan dat zijn persoonlijke geschriften inmiddels zouden zijn verdwenen in het zwarte gat van internet, de begraafplaats van tekst en beeld. Glasvezel zou een belediging zijn voor de geschriften van Montaigne.

 

God en Greta

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Toen God op 29 september 2000 door een gat van bijna 29,9 miljoen vierkante kilometer in de ozonlaag keek, realiseerde hij zich dat zijn experiment was mislukt. Hij had achteraf spijt dat hij slechts zes dagen voor zijn proefneming had uitgetrokken en zijn advies  ‘Wees vruchtbaar en word talrijk’ vond hij achteraf pathetisch. Liefst zou hij het hele aardbolletje afspoelen met schoon water maar dat was nergens te vinden.

In 2003 keek hij nogmaals door het gat. Misschien had hij achteraf toch beter alleen Eva kunnen maken. Ook had hij niet na elke schepping moeten roepen dat ‘het goed was’. Dat kon hij per slot van rekening toen nog helemaal niet inschatten.

Zijn oog viel op een meisje dat over een zandpad slenterde. Om haar beter te kunnen zien duwde hij het wolkendek aan de kant en blies met een zwakke oostenwind haar haren opzij. Ze bukte zich en raapte een kever op die op zijn rug in het zand lag. Het grote insect klauwde zes pootjes in de lucht en klapperde met zijn kaken. Het meisje raapte een stokje op en hield het behulpzaam tussen zijn pootjes. De kever haakte zich vast aan het stokje en kroop naar de top, klapte zijn voorvleugels omhoog en vloog weg. Het meisje keek hem na. God zuchtte en reikte nog een maal zijn hand uit naar de aarde. Hij nam een rib uit het lijf van een hert. ‘Dit wordt jullie laatste kans’, fluisterde hij en vormde uit het rib een meisje. Hij noemde haar Greta Thunberg.

Picea Omorika in analyse

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Ik heb je zojuist door het gras, over de stoeptegels, langs de mestvaalt weg gesleept. Je was oneindig veel lichter dan toen je kwam. Twee maanden was je bij ons. Je rook heerlijk toen je destijds arriveerde, kruidig. Mijn handen ruiken nog altijd naar je. Je geboortegrond was het grensgebied tussen Servië en Bosnië. Je naam was Picea Omorika. Als kiemplantje heb je mogelijk de oorlog nog meegemaakt.

We hingen glimmende kralenkettingen en witte haren tussen je takken. Fijne ijzerdraadjes klemden we rond de uiteinden en zo werd je opgetuigd met metalen ballen. Ik zag mijzelf tientallen keren weerspiegeld in deze zilveren bollen en zo wist ik dat ik geen heks was want heksen hebben geen spiegelbeeld. We wurmden een strakke puntmuts over jouw top en wikkelden feestelijk rode tule en groene zijde rond jouw afgesneden wortelstelsel. Tintelende elektriciteitsdraden drapeerden we rondom jouw stam. We hulden je in sterrennevel.  Toen de vorst  verdween liet je verward al je naalden los.

In de dagen die volgden zag ik je vaker dan dat ik mijn kinderen zag. Toch bleef je een kostganger in mijn blikveld. De ruimte waarin jij stond werd niet van jou. Met een stofzuiger zoog ik je smalle bladschijven op tot uiteindelijk alleen je skelet met stakerige takken overbleef.

In het schilderij sterrennacht van van Gogh flakkeren twee naaldbomen op als zwartgroene vlammen. Van Gogh analyseerde met verftoetsen hun karakter. Hij schilderde niet hun verschijning maar hun persoonlijkheid, zijn schilderij werd een psychoanalyse in verf. Op zijn geboortegrond  moet Picea Omorika een vurige boom zijn geweest die zich vol levenslust uitstrekte naar de hemel maar in ons huis leefde hij als een panter in een kooi. Met weemoed moet hij teruggedacht hebben aan zijn jeugd, tijdens de oorlog. Soms is het beter om niet gezien te worden.

 

Mijn nieuwe relatie

 

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Een ontmoeting is vergelijkbaar met het aanraken van kleefkruid. De zaadbollen van de plant haken vast aan alles wat langs strijkt.

Sinds een paar weken heb ik een nieuwe relatie. Ons eerste afspraakje was in Zwolle in de voormalige bibliotheek. In een ruimte waar ooit Flaubert en Colette zij aan zij stonden hadden wij afgesproken aan de lange houten tafel. Mijn nieuwe relatie heeft zoveel gezichten dat ik er een droge mond van kreeg. Tijdens onze ontmoeting ratelde ik maar door over schrijven en over Montaigne. ‘Wie aandachtig toeziet ontdekt dat hij zich nog geen twee keer in dezelfde gemoedstoestand bevind’, citeerde ik. Deze ingeving verwoordde hoe verrast ik was door zijn veelzijdigheid. Mijn mond voelde gortdroog alsof ik uren op een pittenzakje had lopen kauwen. Ik praatte steeds sneller, zo bang was ik dat hij me zou onderbreken om me te zeggen dat het nooit wat zou worden.

Mijn nieuwe relatie had wel veertien ogen die allemaal weer anders naar me keken. Sommige van zijn ogen leefden al verder in de tijd. Ik probeerde het straatrumoer te overstemmen om hem te vertellen over de Franse schrijfster Colette, hoe mooi ze was en zinnelijk. Misschien zou hij dan net zo over mij denken, ik was tenslotte ook schrijfster. ‘Er is geen onoverkoombare pijn behalve de dood’, schreef ze. Ik herhaalde de troostrijke woorden als een mantra. Ondertussen slurpte ik liters water uit een dopper fles. We spraken af elkaar vaker te zien, steeds in de oude bibliotheek.

‘Ik word oud dankzij mijn gevoelens’, schreef Pessoa in zijn boek der rusteloosheid. Zo voelt dat ook bij mij. Elke twijfel schraapt een beetje volharding uit me. Ik aai mijn nieuwe relatie over zijn haren. Ze voelen glad als de smeltende bovenlaag van een ijsbaan. Haastig noteer ik woorden in een lijntjesschrift om niets te vergeten. Wanneer hij zwijgt bestudeer ik hem en zie zijn ouders terug  in de rafelranden van zijn kraag. Hij spreekt zinnen die steeds weer naar de oppervlakte schieten. Als schuim op badwater schep ik de grootste bellen weg en druk ze stuk in een droge handdoek.

Na een aantal ontmoetingen valt mijn nieuwe relatie uiteen in zeven mensen. Het blijkt een klas te zijn. Het lukt nooit om vol te houden dat ze bij elkaar horen. Groepen bestaan niet, mensen wel. Voor je het weet herken je het samenraapsel van hebbelijkheden dat hen onderscheidt. De zaden van onze ontmoeting zullen nog wel even in mijn kleding blijven hangen.