Picea Omorika in analyse

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Ik heb je zojuist door het gras, over de stoeptegels, langs de mestvaalt weg gesleept. Je was oneindig veel lichter dan toen je kwam. Twee maanden was je bij ons. Je rook heerlijk toen je destijds arriveerde, kruidig. Mijn handen ruiken nog altijd naar je. Je geboortegrond was het grensgebied tussen Servië en Bosnië. Je naam was Picea Omorika. Als kiemplantje heb je mogelijk de oorlog nog meegemaakt.

We hingen glimmende kralenkettingen en witte haren tussen je takken. Fijne ijzerdraadjes klemden we rond de uiteinden en zo werd je opgetuigd met metalen ballen. Ik zag mijzelf tientallen keren weerspiegeld in deze zilveren bollen en zo wist ik dat ik geen heks was want heksen hebben geen spiegelbeeld. We wurmden een strakke puntmuts over jouw top en wikkelden feestelijk rode tule en groene zijde rond jouw afgesneden wortelstelsel. Tintelende elektriciteitsdraden drapeerden we rondom jouw stam. We hulden je in sterrennevel.  Toen de vorst  verdween liet je verward al je naalden los.

In de dagen die volgden zag ik je vaker dan dat ik mijn kinderen zag. Toch bleef je een kostganger in mijn blikveld. De ruimte waarin jij stond werd niet van jou. Met een stofzuiger zoog ik je smalle bladschijven op tot uiteindelijk alleen je skelet met stakerige takken overbleef.

In het schilderij sterrennacht van van Gogh flakkeren twee naaldbomen op als zwartgroene vlammen. Van Gogh analyseerde met verftoetsen hun karakter. Hij schilderde niet hun verschijning maar hun persoonlijkheid, zijn schilderij werd een psychoanalyse in verf. Op zijn geboortegrond  moet Picea Omorika een vurige boom zijn geweest die zich vol levenslust uitstrekte naar de hemel maar in ons huis leefde hij als een panter in een kooi. Met weemoed moet hij teruggedacht hebben aan zijn jeugd, tijdens de oorlog. Soms is het beter om niet gezien te worden.

 

Mijn nieuwe relatie

 

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

Een ontmoeting is vergelijkbaar met het aanraken van kleefkruid. De zaadbollen van de plant haken vast aan alles wat langs strijkt.

Sinds een paar weken heb ik een nieuwe relatie. Ons eerste afspraakje was in Zwolle in de voormalige bibliotheek. In een ruimte waar ooit Flaubert en Colette zij aan zij stonden hadden wij afgesproken aan de lange houten tafel. Mijn nieuwe relatie heeft zoveel gezichten dat ik er een droge mond van kreeg. Tijdens onze ontmoeting ratelde ik maar door over schrijven en over Montaigne. ‘Wie aandachtig toeziet ontdekt dat hij zich nog geen twee keer in dezelfde gemoedstoestand bevind’, citeerde ik. Deze ingeving verwoordde hoe verrast ik was door zijn veelzijdigheid. Mijn mond voelde gortdroog alsof ik uren op een pittenzakje had lopen kauwen. Ik praatte steeds sneller, zo bang was ik dat hij me zou onderbreken om me te zeggen dat het nooit wat zou worden.

Mijn nieuwe relatie had wel veertien ogen die allemaal weer anders naar me keken. Sommige van zijn ogen leefden al verder in de tijd. Ik probeerde het straatrumoer te overstemmen om hem te vertellen over de Franse schrijfster Colette, hoe mooi ze was en zinnelijk. Misschien zou hij dan net zo over mij denken, ik was tenslotte ook schrijfster. ‘Er is geen onoverkoombare pijn behalve de dood’, schreef ze. Ik herhaalde de troostrijke woorden als een mantra. Ondertussen slurpte ik liters water uit een dopper fles. We spraken af elkaar vaker te zien, steeds in de oude bibliotheek.

‘Ik word oud dankzij mijn gevoelens’, schreef Pessoa in zijn boek der rusteloosheid. Zo voelt dat ook bij mij. Elke twijfel schraapt een beetje volharding uit me. Ik aai mijn nieuwe relatie over zijn haren. Ze voelen glad als de smeltende bovenlaag van een ijsbaan. Haastig noteer ik woorden in een lijntjesschrift om niets te vergeten. Wanneer hij zwijgt bestudeer ik hem en zie zijn ouders terug  in de rafelranden van zijn kraag. Hij spreekt zinnen die steeds weer naar de oppervlakte schieten. Als schuim op badwater schep ik de grootste bellen weg en druk ze stuk in een droge handdoek.

Na een aantal ontmoetingen valt mijn nieuwe relatie uiteen in zeven mensen. Het blijkt een klas te zijn. Het lukt nooit om vol te houden dat ze bij elkaar horen. Groepen bestaan niet, mensen wel. Voor je het weet herken je het samenraapsel van hebbelijkheden dat hen onderscheidt. De zaden van onze ontmoeting zullen nog wel even in mijn kleding blijven hangen.

De traplift

cropped-c2a9-joke-van-vliet.jpg

In de avond bracht een bezorger grote dozen en in bubbeltjesplastic verpakte buizen. Midden in de keuken liet hij de materialen achter waardoor moeder niet meer bij haar kruidenrekje kon. Na zijn vertrek draaide vader de voordeursleutel twee maal rond en hing deze aan het haakje naast de kapstok. Die avond aten ze een smakeloze maaltijd.

De volgende morgen was het nog donker toen de wekker afliep. In de brief stond dat de werkmannen vroeg zouden komen. Moeder klopte het beddensprei uit, leegde de po en verschoof de plantjes in de vensterbank dusdanig dat ze goed zicht hadden op de toegangspoort van hun woonhofje. Daarna zaten ze in hun stoelen voor het venster en keken naar de spreeuwen die met hun lange snavels in het vet van de vogeltaart pikten. De zon steeg boven de stadsmuren uit maar nog altijd waren de mannen er niet.

Om tien uur stapte een forse donkere man, met in zijn hand een gereedschapskist, het hofje binnen. Eenmaal in de woonkamer gaf hij vader een stevige handdruk en moeder pakte hij zachter beet maar het duurde wel lang voordat hij haar hand losliet. Zijn handpalm voelde glad als de korst van kaas. Hij stripte het plastic van de buizen en sneed het karton. Met gemak tilde hij de zware pijpen van de grond en schroefde deze tegen de wand langs de trap omhoog. Moeder schonk ondertussen kokend water op vers gemalen koffie en legde halve koeken op een schoteltje. Even later zaten ze dicht op elkaar. Zijn knieën waren zo breed als meloenen. ‘Ik interesseer me erg voor politiek’, vertelde hij. De koek verdween in één hap naar binnen. Een tweede bakje koffie hoefde hij niet.

Niet veel later was het zover. Vader moest zijn billen goed aanschuiven en zijn knieën intrekken nadat hij plaatsnam op de stoel. Verrassend krachtig drukte vader de joystick naar rechts. Een rood lampje op de armleuning knipperde en daarna steeg vader langs de buis omhoog. Moeder keek hem na en zei dat ze haar hart vasthield. In de bocht, halverwege de trap kreunde vader en de man spurtte buitengewoon wendbaar opwaarts. Moeder kon niet zien wat er gebeurde.

Voorzichtiger nu, manoeuvreerde de man de liftstoel met vader erop, naar beneden. Vader wreef over zijn pijnlijke knie. ‘Uw man heeft lange benen’, zei de man en viste een hamer uit zijn gereedschapskist. Met een paar ferme tikken sloeg hij de trapleuning los van de wand. Een stuk ijzer vloog door de keuken en sloeg tegen het kruidenrekje. Een potje gevuld met rood poeder spatte uiteen. ‘Zo moet het passen’, zei hij, terwijl hij de afgebroken trapleuning wegmoffelde achter de stofzuigerstang in de hoek. Met het gereedschapskistje in de hand haastte hij zich naar de voordeur. Toen hij merkte dat deze was afgesloten nam hij zelf de sleutel van het haakje en draaide hem twee keer rond. De spreeuwen vlogen op toen de deur open zwaaide. ‘Altijd een gordel omdoen’, riep hij nog, ‘de meeste ongelukken gebeuren omdat mensen hun gordel niet vastgespen’.

Zwijgen is een verademing

cropped-c2a9-joke-van-vliet1.jpg

In de film Bridget Jones’s Diary heeft Renée Zellweger als enige niet het bericht doorgekregen dat het gemaskerd bal niet doorgaat. In een playboy bunny costume verschijnt ze op de familiebijeenkomst waar de overige genodigden gekleed zijn in avondjurk of kostuum. Met twee hazenoren op, en een witte pompon boven haar bilnaad wipt ze tussen de gasten door. Later blijkt dat ook haar vader het bericht niet heeft gekregen. Hij zit verscholen achter een beukhaag. Ze schuift naast hem op een bankje. Zo zou een ontmoeting moeten gaan met gelijkgestemden, viel mij binnen, zonder elkaar voorwaarden te stellen buiten de gemeenschappelijkheid om.

Toen ik nog op de kunstacademie zat bezocht ik veel tentoonstellingen en verfde doeken vol. Een van mijn docenten was een mager mannetje met spillebenen en een scheef gebit. ‘Als je indruk op me wilt maken moet je landschappen gaan schilderen. Bekoring vind je in het alledaagse’, zei hij.

Na de kunstacademie bleek dat niemand zat te wachten op mijn schilderijen. De doeken hoopten zich op in een opslagruimte. Op feestjes vroegen mensen wat ik deed voor de kost. Meestal zei ik dat ik begrafenisondernemer was maar soms biechtte ik op dat mijn doeken doden waren die opgestapeld lagen in een rommelhok.

Het kunstenaarsleven heeft iets van een gekostumeerd bal. Je begeeft je in het feestgedruis, niet in een Looney Tunes costume, maar volledig ontkleed. Ongegeneerd bestuderen de feestgangers je vetkwabjes, littekens, moedervlekken, kalknagels en je grijze aanzet achter de oorschelp. Met een microscopische lens zoomen ze in op je poriën en gezwollen aderen.

Een kunstenaar zou af en toe moeten kunnen aanschuiven op een bankje bij een soortgenoot. Die persoon zou dan moeten zwijgen en een sigaret roken en verder niets.

De beperkte mens

cropped-c2a9-joke-van-vliet1.jpg

Gisteren aaide ik een varken. Ik kende de zeug niet. Ze was naar me toegekomen vanuit een toom. Twee grote ijzeren stangen zaten tussen ons in. Daar was ik blij om want het was een groot beest en ik wist niet of ze me omver zou lopen of zou aanvallen. Blijkbaar ging ik uit van slechte bedoelingen. De zeug daarentegen trad mij onbevangen tegemoet. Ze had een lange snoet met aan het uiteinde een wroetschijf met daarin twee neusgaten. De lucht ging erdoor in en uit. Dankzij de kou in de stal kreeg ademen een vorm.

Onder de snoet bewoog een mond. Ze kauwde ergens op. Ik stak mijn hand door de tralies en kriebelde haar achter het oor. De huid was er ruw en hard, de haren voelde stekelig. Het varken draaide haar kop opzij. Het knorren werd afgewisseld door een hoog kreunend geluid. Ik probeerde gevarieerd te kriebelen, niet teveel op één plek. Ze sloot haar ogen. Ik dacht erover dat ze mij vertrouwde en daardoor vertrouwde ik haar. Ik vond haar lief.

Mensen vind ik eigenlijk nooit snel lief. Ik zag nooit iemand op straat lopen die ik eens lekker achter het oor zou willen kriebelen. Wel vind ik mensen soms mooi of aandoenlijk maar ze aanraken, vind ik niet fijn. Mijn weerstand zegt misschien iets over de betrouwbaarheid van de soort. Zelfs vrienden kriebel ik nooit achter de oren en ook mijn geliefde zou vreemd opkijken wanneer ik dat zou doen. Lief is een woord dat is voorbehouden aan dieren en baby’s.

Het aaien van het varken duurde lang. Toch kreeg ik het niet koud. Heeft het varken kwaliteiten die we in onszelf terugzien? Dat is de vraag die mensen zichzelf stellen om te beoordelen of een varken misschien begaafd is. Ik vraag mij af wat wij bedoelen met intelligentie. Donald Trump is een intelligente man en toch zou ik geruster zijn wanneer dit varken zijn belangrijke positie zou innemen als president van de Verenigde Staten. Het voelt of dit varken een soort geestvermogen bezit die wij mensen nooit zullen begrijpen. Een intelligentie die samenvalt met vertrouwen.

In de film ‘on body and soul’ hebben de twee hoofdpersonen, Endre en Maria, zonder het van elkaar te weten, dezelfde droom. De droom gaat over een hert en een hinde die samen optrekken in een sneeuwlandschap. Actrice Alexandra Borbély vertelt over haar ervaring als hinde:

‘Ik had vreselijke honger.

Ik snuffelde in de sneeuw maar er was niets.

Mijn metgezel hielp mij zoeken.

Hij vond een dik en sappig blad onder de sneeuw.

Ik mocht het hebben. Ik at het op.’

Misschien zijn onze hersenen teveel verbindingen aangegaan waardoor we zinloos in alle richtingen denken en behoeften ontwikkelen. Misschien is aanwezig zijn in elk moment van je leven een hogere vorm van intelligentie. Een niveau dat we nog niet bereikt hebben.

Hoe een scheur geruststellend kan zijn

cropped-c2a9-joke-van-vliet1.jpg

Vandaag is mijn dochter jarig. Ze is negentien jaar geworden maar het kan onmogelijk waar zijn dat het negentien jaar geleden was dat ik in het ziekenhuis lag te persen in een piepklein verloskamertje. Het was een knappe arts die ik tussen mijn benen door als een poortwachter heen en weer zag ijsberen, handen op de rug, hoofd mooi rechtop. ‘Ga door ga door’,  herhaalde hij, als in een mantra.  Van een verpleegster, gehurkt aan het voeteneinde van mijn bed, zag ik alleen het hoofd boven het matras uitsteken. ‘De baby komt eraan’,  wist zij te melden.  Het gezicht van mijn man vertrok bij het zien van het uitscheuren van mijn poenie, destijds nog  vagina of vulva genoemd.

Tijdens mijn bevalling werd op een verdieping boven ons, wat herstelwerk verricht aan het gebouw.  Steengruis denderde door een stortkoker naar beneden waar het in een container viel. Mijn weeën werden muzikaal ondersteund door het dreunende  geluid van een boormachine. Tussen de weeën door staarde ik naar een  lange scheur in de muur die eindigde in het plafond. De belabberde toestand waarin het gebouw zich bevond werkte geruststellend. Het versterkte de kracht waarmee ik wenste dat het goed zou gaan met mijn kindje. Deze vorm van geruststelling vind je nooit in nieuwbouw. De omstandigheden zijn er te ideaal.

Mijn dochtertje was piepklein en het gevoel van haar warme huid tegen mijn borsten vergeet ik nooit meer. Bij de geboorte van je kind krijg je er een extra zintuig bij. Het is een zintuig dat reageert op de gesteldheid van je kind. Het centrum van je leven verplaatst zich buiten jezelf . De eerste aanraking met je kind voelt alsof je door een hard geluid verdoofd bent en plots weer kan horen.

Ooit las ik in Psychologie Magazine over een BIID-patiënt. Het was een man die zeker wist dat een gedeelte van zijn been niet bij zijn lichaam hoorde. Hij kon tot op de centimeter nauwkeurig aangeven op welke plaats zijn been eraf zou moeten.  Hij bezocht diverse chirurgen om hen te vragen om het gedeelte te amputeren. Geen arts wilde deze ingreep uitvoeren omdat ze de man niet wilden verminken maar deze patiënt voelde zich pas heel wanneer het lichaamsdeel eraf zou zijn. Na de geboorte van mijn dochter, en twee en een half jaar later na de geboorte van mijn zoon, voelde ik mij pas compleet. Net of er al die tijd iets had ontbroken.

Hoe ik later een mooi Chinees jongetje word

cropped-c2a9-joke-van-vliet1.jpg

Van al mijn lichaamsdelen houd ik het meest van mijn hoofd. Mocht ik, onder bedreiging van een vuurwapen, de keuze hebben om slechts één lichaamsdeel te behouden, dan kies ik voor dat eivormige lichaamsdeel met twee ogen, twee oren, een neus, een mond en een bal gepureerde hersencellen. Altijd gedacht dat ik voor mijn hart zou gaan maar dat is dus niet zo.

Het is niet dat ik mijn hoofd nou zo mooi vind. Nee, mijn jeugdige schoonheid kavelde af als een rivieroever na de eerste voorjaarsstorm. Mijn haar kleurde van zonnebloemblond naar een kleur die ik ook aantref in het aslaatje onder de houtkachel en mijn slanke hals kreeg de uitstraling van een uitgelubberde panty om een vrouwenbeen. Nee, het is niet uit tevredenheid over mijn beeltenis dat ik mijn hoofd wil behouden maar het gaat mij om de binnenkant.

Mijn hoofd is als een zwembad vol tropische vissen, stuk voor stuk staan zij symbool voor invallen en overpeinzingen die ik heb en die elkaar af en toe ineens treffen. Een dergelijke ontmoeting is als een paring, even opwindend, vol energie. Mijn lichaam draagt mijn hoofd en klaagt nooit, mijn hoofd is de onbetwiste koningin van mijn lijf.

Met ditzelfde hoofd denk ik na over mijn dood en sinds kort, over het beschikbaar stellen van mijn organen of lichaamsdelen voor de wetenschap. Ik kan mij zo voorstellen dat na mijn dood, een student podologie de vergroeiing van mijn kleine teen wil bestuderen en dat een student medicijnen het goedaardig gezwel in mijn schouder wil opereren om zo de handelingen te oefenen. Ik gun deze studenten hun carrière en ik gun de levenden, het voordeel dat ze hier straks van hebben.

Het is niet zeker dat mijn hoofd na mijn dood in Nederland blijft. Er zijn bedrijven die beschikbare lichaamsdelen verhandelen. Van het sterven vind ik het moeilijk te accepteren dat al mijn gedachten er alleen maar waren voor mijzelf en dat ze na mijn dood verloren gaan. Zou het mogelijk zijn dat ze in mijn hoofd achterblijven? Dat ze in die breinmassa blijven bewegen en rondzwemmen en elkaar blijven tegenkomen. Misschien leven mijn gedachtespinsels verder als parasieten en zijn mijn hersenen slechts hun gastvrouw.

Mogelijk hebben ze dan, na mijn sterven, niet in de gaten dat ze inmiddels verscheept zijn naar China als donorhoofd. Wel ervaren ze de kou van de vrieskist waarin ze vervoerd worden en misschien denken ze trager dan normaal. China is het nieuwe Centrum van de wereld. In China houden ze zich niet aan ethische regels over klonen en genetische manipulatie. In China maken ze nu al hiv-loze baby’s door het genetisch materiaal te versleutelen. In China weten ze wel raad met mijn hoofd.

Ik zie de student al voor me die met zijn kleine vingertjes een scalpeermesje tussen mijn frontale voorhoofdskwab steekt en mijn lobi pariëtalis waarna plots zijn lcd scherm van het ECG-apparaat fel oplicht. De student schrikt ervan en onderbreekt zijn proef-operatie. Hij roept zijn docent erbij. Mijn parasiterende gedachten worden ineens zichtbaar in een grafiek en later die dag zullen wetenschappers mijn gedachtespinsels decoderen en mogelijk zelfs publiceren in hun maandelijks wetenschappelijke uitgave. In Europa zullen ze er schande van spreken: “een inbreuk op de privacy van een donorhoofd”, maar de Chinezen zullen zich er niets van aantrekken en zelfs mijn gedachten implementeren in een bevruchte eicel van een Chinees echtpaar. Plots zal een streng van mijn genen met parasiterende gedachten belanden in het hoofd van een beeldschoon Chinees jongetje.

Een aantrekkelijke gedachte, heel opwindend.

Een standbeeld voor Sandra!

 

‘Zo’n fijne, zonnige dag, en ik moet gaan.’ Dat zei Sophie Scholl vlak voordat ze plat op haar buik over een soort tafel werd geschoven en haar hals werd vastgeklemd tussen twee houten blokken waarna een stalen mes van vier meter hoogte naar beneden gleed en haar keel doorsneed.

Sophie Scholl was 21 jaar en studente biologie en filosofie te München. Ze was lid van de verzetsgroep  ‘Weisse Rose’.  Studenten en professoren uit deze groep schreven pamfletten waarin ze opriepen tot geweldloos verzet tegen het regime van de nationaal-socialisten. Op een dag betrapte een conciërge Sophie op het moment dat ze een stapel van deze teksten over de rand van de balustrade wierp vanaf de bovenste verdieping van het universiteitsgebouw. Hij waarschuwde de Gestapo.

“De dag van de afrekening is gekomen, de afrekening van de Duitse jeugd met de verfoeilijkste tirannie die ons volk ooit heeft ondergaan. In naam van het gehele Duitse volk vragen we aan de staat van Adolf Hitler onze persoonlijke vrijheid terug, het kostbaarste bezit van de Duitsers, omdat hij ons op de erbarmelijkste manier bedrogen heeft.” Dit stond geschreven in het zesde pamflet. Sophie ging ervan uit dat veel mensen het met de standpunten eens waren maar dat ze alleen niet de moed hadden zich uit te spreken.

Recent las ik een bericht over een studente die een kip uit Drenthe tot onderwerp maakte van een studieproject. De opdracht luidde: ‘Ensceneer een situatie die discussie op gang brengt’. De discussie over Jip, de kip, kon twee uitkomsten hebben: óf ze bleef leven óf ze werd gedood. Zou de meerderheid kiezen voor ‘dood’, dan zou de student Jip zelf slachten.

Toen Sandra van der Werd, een dierenliefhebster, over dit project hoorde, besloot ze de kip te redden. Spelen met Jips leven vond ze ‘pervers’. Ze nam Jip mee in een tas en liet een pak vegetarische kipstuckjes achter en een pamflet. ‘Geen theater ten koste van een kip. Go vegan’, stond erop. Een medewerker van de hogeschool betrapte haar en waarschuwde de politie. Sandra bracht zes uur door in de cel en kreeg een boete van 200 euro voor het ontvreemden van een dier in de categorie pluimvee. Ze kreeg dus weliswaar geen straf voor het schrijven van haar pamflet maar handelde vanuit de visie die het pamflet verwoorde.

Schrijven kan gevaarlijke zijn. Het roept soms reacties op als ’ flikker op’ of ‘kop eraf’. Verwensingen die wel iets weg hebben van het doodsvonnis zoals uitgesproken door nazi-rechter Roland Freisler (Raving Roland).

‘Als het leed van een ander levend wezen jou raakt, geef dan niet toe aan de eerste impuls om weg te lopen van degene die lijdt, maar kom juist dichterbij, zo dichtbij mogelijk, en probeer hem te helpen.’

Deze uitspraak van Tolstoj staat op de website van de The Save Movement beweging (http://thesavemovement.org/), een groep mensen die pamfletten verspreidt in de vorm van videobeelden. Op hun filmpjes zien we de kippen, eenden en varkens die, opgesloten in de laadruimte van vrachtwagens, afwachten tot ze worden toegelaten tot het terrein van het slachthuis waar ze vergast zullen worden. De leden van de groep geven de dieren water, kroelen ze over hun kop, aaien ze en filmen ze.

Het is jammer dat verzetshelden nooit tijdens hun leven de erkenning krijgen die ze verdienen. Ik stel voor dat we voor een keer de geschiedenis verrassen en de tijd te slim af zijn. Laat nu vast een standbeeld maken voor Sandra. Sandra die in 2018 deed wat wij in 2050 waarschijnlijk allemaal zouden doen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bronnen:

https://www.trouw.nl/home/de-zaak-van-jip-de-kip-wanneer-is-een-dierenredder-een-dief-~ace1bd48/

https://historiek.net/guillotine-hans-en-sophie-scholl-teruggevonden/39761/

http://www.go2war2.nl/artikel/1363/Zesde-pamflet-van-Die-Weisse-Rose-02-1943.htm

Laat mij toch lekker blaffen

Honden en hanen zijn meesters over het luchtruim.  Iedere morgen, wanneer mijn dochter in het donker wegfietst over het zandpad en ik haar rode achterlichtje steeds kleiner zie worden, rent ondertussen mijn bordercollie Nora dwars over het grasland tot aan de rand van het midden bosje waar hij vervolgens luid gaat staan blaffen. In de stilte die erop volgt klinkt vanuit diverse richtingen antwoord van soortgenoten. Het valt me op dat de buurthonden netjes hun beurt afwachten en ook meen ik dat de volgorde van terugblaffen iedere morgen gelijk is. Wanneer er genoeg geblaft is rent Nora naar de schuur waar ik mijn fiets pak voor ons ochtendrondje. Hoewel we onderweg drie huizen passeren waar honden wonen blaft Nora daar niet. Blijkbaar is alles al gezegd.

Weer thuis, in de achtertuin, open ik het deurtje van het kippenhok. De haan springt van zijn stok en landt op de grijze stoeptegels. Hij haalt adem, strekt zijn hals, opent zijn snavel en kraait. Nadat de kip ook geland is rennen ze samen naar de graantjes die ik rondstrooi. In de verte antwoord een haan en nog voor ik het huis weer binnen ben, klinkt een luid gekraai van voorbij het kanaal. Binnen, naast de centrale verwarming, strekt Nora zich uit. Buiten kleurt de lucht ultramarijn, lichtgoud en aquamarijn, net zo transparant en waterig als de met terpentine aangelengde olieverf op een schilderij van Monet. Het impressionisme bestond ver voordat het was uitgevonden, alleen niemand zag het.

Vernieuwen is een vorm van beter kijken. Veel mensen vinden dat vermoeiend of ze komen eenvoudigweg niet op het idee.  Ze denken de wereld al te kennen omdat ze er elke dag doorheen fietsen of lopen. In het gedicht “Marc groet ‘s morgens de dingen” van Paul van Ostaijen kun je ervaren hoe het is om je omgeving opnieuw te bekijken. Mijn vader las mij het gedicht voor toen hij de leeftijd had die ik nu zelf heb. Ik dacht toen dat het een kinderrijmpje was maar nu ik zelf in de veertig ben begrijp ik de ernst van het gedicht. Mijn vader hield veel van de planten maar vooral van mossen en korstmossen. Om ze goed te bekijken had hij altijd een loepje bij zich waar 20 X op stond. Tijdens wandelingen dook hij regelmatig op zijn knieën om dan met zijn hoofd vlakbij de grond, één oog gesloten en de andere wijd opengesperd, een mosje te bestuderen. Zo uitvergroot moet zijn wereld er totaal anders hebben uitgezien dan die van ons. Het gedicht van van Ostaijen verwoordde mogelijk zijn verwondering over een miniatuurwereld die andere mensen, zonder het te weten achteloos vertrappen.

Marc groet ’s morgens de Dingen

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem

ploem ploem

dag stoel naast de tafel

dag brood op de tafel

dag visserke-vis met de pijp

en

dag visserke-vis met de pet

pet en pijp

van het visserke-vis

goeiendag

Daa-ag vis

dag lieve vis

dag klein visselijn mijn

 

 

 

 

Een bekentenis

In de Netflix serie Grimm ontdekt rechercheur Nick Burkhardt dat hij een Grimm is. Ineens is hij in staat de ware geaardheid  van zijn medemens te zien. Achter de façade van hun verschijning ontdekt hij mythologische figuren. Gaandeweg blijkt dat het zijn taak is om de harmonie in de wereld te herstellen.

Net als Nick Burkhardt blijk ik zelf ook het vermogen  te ontwikkelen om mijn medemens te doorgronden. De eerste keer dat ik deze eigenaardige eigenschap ervoer was in Albert Heijn. Op weg naar de broodafdeling passeerde ik schappen vol piepschuim bakjes gevuld met rode lappen vlees, bleke  poten en vleugels van kippen. De doorgang tussen de schappen was vrij nauw en toen een vrouw zich bukte om een paar bakken vlees in haar karretje te laden, moest ik even wachten. Een licht grommen klonk vanuit haar borstkas. Ik meende dat het geluid voortkwam vanuit een hongergevoel maar na beter luisteren hoorde ik  onmiskenbaar grommen als van een roofdier. Ik stond stil en bewegingsloos, mezelf bevragend hoe het bijzondere geluid te verklaren was. Het lichaam van de gebukte vrouw trilde inmiddels als een stuk kipdijfilet op een snijplank. Haar derrière was onmiskenbaar geschikt als vleesaanvulling bij een boerenkoolstamppot.

Hoewel ik besefte hoe ongemakkelijk mijn langdurig staren moest aanvoelen kon ik mij toch niet losrukken van de aanblik van haar weke vlees. In gebukte toestand draaide de vrouw haar hoofd opzij. Een hoektand prikte tussen haar lippen naar buiten. Ze staarde naar me met een lege blik. Ik tuurde in haar iris op zoek naar iets van herkenning maar verdween in een zwart, zo diep als van een plas ruwe aardolie. Geschrokken keek ik om me heen op zoek naar steun van mede mensen. Een aantal personen staarde naar mij met eenzelfde lege blik in hun ogen. Ik stapte achteruit met mijn winkelwagentje als een schild voor me. Pas bij de groenteafdeling durfde ik weer adem te halen.

Ik haastte me naar de kassa waar ik zelf mijn inkopen scande. Zegeltjes hoefde ik niet. Ik schoot door de klapdeurtjes en passeerde de schuifdeuren. De frisse buitenlucht en de aanblik van het steegje waar mensen gemoedelijk buggy’s vooruit duwden en tassen op wieltjes voort trokken stelde me gerust. De eigenaar van een brillenzaak, die aan de overzijde in de deuropening stond,  knikte naar me. Naast mijn fiets stond een vrouw boodschappen in haar fietstas te laden. Ze klemde een sleutelbos tussen haar tanden. Haar lijf schudde als dat van een natte hond. Haar wenkbrauwen waren vol en zwart. Haar oogwit flikkerde in het zonlicht.

Snel bond ik boodschappentas onder de snelbinders en racete naar huis. Ik sloot de deur achter me en draaide hem op slot. Ik weet niet hoe Nick Burkhard het probleem gaat oplossen maar ik blijf voorlopig even binnen.